Zonder reden

Toen de kraai op een keer zomaar zonder reden boos was ging hij naar de boktor. Hij klopte op zijn deur, met harde tikken van zijn snavel.

'Zeker boos?', vroeg de boktor, die in een luie stoel voor zijn raam zat.

'Ja', kraste de kraai kwaad.

De boktor zuchtte, pakte een schaar en stapte naar buiten.

'Zeker zomaar, hè?', zei hij.

'Ja', kraste de kraai en hief dreigend één van zijn vleugels op.

'Ja ja', zei de boktor. Hij ging voor de kraai staan en knipte zijnboosheid af.

'Au!', kraste de kraai. Maar hij was niet boos meer. 'Dat doet pijn, boktor,' zei hij zachtjes.

'Ja', zei de boktor.

De kraai bedankte hem en vloog vrolijk weg. Zijn boosheid lag op de grond voor de deur van de boktor.'Weg ermee', mompelde de boktor.

Hij raapte de boosheid op en gooide hem met een grote boog in de rivier.

Daar kwam hij op de rug van de karper terecht.

'Wat?', riep de karper. 'Hè! Hola!'Hij begon woedend heen en weer te zwemmen, en toen hij de snoek zag schoot hij op hem af en gaf hem met één van zijn vinnen een harde draai om zijn oren. 'Die heb je verdiend', zei hij.

'Verdiend?', jammerde de snoek. 'Waarmee?' Zijn oor deed pijn en hij was op zijn rug terecht gekomen. Hij keek van opzij naar de karper en besloot maar vlug weg te zwemmen.

'Met alles!', riep de karper hem na. 'Of weet je soms niet wat alles is?'

De snoek zwom een bocht in de rivier om en verborg zich in het riet.

De karper begon woest met zijn vinnen in het rond te slaan.

'Ellendig water!', riep hij. 'Hier! Hier!'

Het water kolkte en bruiste en sloeg terug. Het werd een woest gevecht, midden in de rivier.

Door een klap van het water schoot de boosheid van de rug van de karper af, vloog een eindje door de lucht en verdween in de golven.

Plotseling was de karper niet boos meer.

Maar het water was nu pas echt woedend. De karper kreeg twee harde klappen, tegen zijn beide oren. 'Au', zei hij. 'Au'.Toen werd alles weer kalm en zwom de karper voorzichtig en verbaasd verder.

De boosheid zweefde ondertussen naar de bodem van de rivier, zakte door een klein, grijs dak en kwam precies op het hoofd van de waterkreeft terecht.

Maar de waterkreeft sliep zo diep dat hij alleen een boze droom kreeg en in zijn droom de boosheid van zijn hoofd sloeg.

De boosheid viel op de grond en gleed onder het bed van de waterkreeft.

Daar zou niemand hem ooit nog kunnen vinden.