Vuren

Aan beide kanten van mijn familie waren er veel oudooms, oudtantes en andere mensen uit de generatie van mijn grootouders. Ze woonden bijna allemaal in Ierland. Iedere keer dat we daar waren gingen we bij een paar van die oude mensen op bezoek, op de thee. Er waren meer vrouwen dan mannen, Aunt Dit of Cousin Dat noemden wij ze. Hun huizen leken op elkaar, ze praatten ook over elkaar, de taarten die we kregen waren dezelfde; soms wist je niet meer of je bij Aunt A. was of bij Cousin B.

Mijn vader had een soort stamboom in zijn hoofd, maar ik begreep pas lang na hun dood wie sommige van deze oude dames waren. Het was niet zo'n genoegen voor ons: we moesten, midden in de vakantie, mooie kleren aandoen, mee naar een huis vol oude mensenlucht in Dublin, en thee drinken met een Aunt C. die maar niet kon begrijpen dat we twee jaar ouder waren dan de vorige keer.

Dat was de vakantiefamilie; thuis in Engeland was er maar één oudoom. Hij had een prachtig huis, een tuin met vijver en een echte hooischuur. Er is een foto van mijn broer en mijzelf op de hooizolder, genomen de eerste keer dat we daar heen gingen, de dag van de vuren.

We namen de trein uit Londen. Halverwege de reis ging de trein in een sleuf in de grond: we reden tussen twee hoge muren van gras. En daar begonnen de vuren, kleine vuurtjes op die muren, brandende plekken boven onze hoofden, zwart verbrand gras en grijze rook. Het was heel warm, het rook naar vuur, het hield niet op. De trein kon niet verbranden, zei mijn vader, er was geen gevaar. Maar je kon heel goed zien dat er wel gevaar was, we zaten erin. Het was een griezelig uitstapje, door de vlammen heen.

Die oudoom zal ik nooit vergeten, we gingen voor hem door het vuur.