Verval

Omdat ik binnenkort ga verhuizen, leef ik momenteel in een geestelijk niemandsland. Ik weet dat straks een nieuw leven begint, maar nu verkeert alles om mij heen nog in verval. Opruimen doe ik niet meer. Volgende week komen de eerste verhuisdozen en daarom is nu opruimen een overbodige handeling. Op die manier slibt het huis langzaam dicht met kranten, boeken en boodschappen. Mijn vrouw heeft al een stapeltje post in de ijskast gevonden. Ze zegt dat ik gek aan het worden ben. Nee, nee niet gek, roep ik, wanhopig. Versta je me: wanhopig! Maar ze heeft de deur al achter zich dichtgeslagen. Dit weekend slaapt ze bij haar zusje in Utrecht.

Het papier van de faxmachine baant zich slingerend een weg door de kamer, want afscheuren doe ik ook niet meer. Het antwoordapparaat is vol en neemt geen nieuwe mededelingen meer op. Wat in het huis stuk gaat, wordt niet meer gerepareerd. De afgebladderde plafonds laten we maar zo, die zijn voor rekening van de volgende bewoners.

De deur van het keukenkastje valt uit zijn hengsels, precies op de grote teen van mijn vrouw die juist was teruggekeerd uit Utrecht. Vloekend hinkt zij door de keuken. Op één been weet ze de gang te bereiken. Ik hoor haar worstelen met haar jas. Dan slaat ze met een harde klap de buitendeur dicht. Dit keer is zij op weg naar Amersfoort, naar haar moeder.

Temidden van de rommel liggen wij een dag later op de grond om het weer bij te leggen. Oh, lieve schat, zo had ik het niet bedoeld. Dan gaat de telefoon. Maar waar is dat ding? Na enig gegrabbel onder oude kranten vind ik de hoorn. Ik schreeuw de klassieke zin van Dorothy Parker: “Sorry, I am too fuckin' busy, or vice versa!” Aan de andere kant is het even stil. Dan stelt een stem zich voor als een ambtenaar van de gemeente, die mij uitnodigt voor een symposion over de inrichting van de openbare ruimte. Als ik heb opgehangen, merk ik dat mijn vrouw verdwenen is. Zou zij naar haar broer zijn in Zwolle, of heeft zij geen broer in Zwolle?

In een van de kasten vind ik een grote papieren zak, waarop staat: “Groenten & Fruit, Ans Hakker en zonen”. In de zak zit een heel archief over Ed van Thijn, mijn favoriete burgemeester uit vervlogen jaren. Er zijn melancholiek stemmende knipsels bij over de Olympische Spelen die naar Nederland hadden moeten komen. “Amsterdam heeft een kans van tien op één”, voorspelde de burgemeester toen. Deze zak bewaar ik, die komt nog wel eens van pas en als ik de krant van afgelopen maandag nog kan vinden, doe ik ook het knipsel erbij waarin staat dat Amsterdam bij de toewijzing van de Europese kampioenschappen atletiek in 2002 opnieuw op de laatste plaats is geëindigd.

“Maar in 2006 gaan wij er weer voor!”, citeer ik hardop staatssecretaris Terpstra. Ik verdrink nu bijna tussen de rotzooi en om mijzelf in veiligheid te brengen, zwem ik door de oude kranten de huiskamer binnen. Voorlangs crawlt mijn vrouw met een doos oude kleren voor zich uit. Hè?! Zij laat een spoor achter van onderbroeken, sokken en verkreukelde blouses. Maar is dat mijn vrouw wel? Ik dacht dat zij bij haar broer zat in Zwolle.

Ik ben nu bij een stoffige kast met oude tijdschriften aangekomen. Er is een nummer van De Gids bij uit 1965. In een van de artikelen, kardinaal Pölätüo en de zijnen schrijft W.F. Hermans: “Ware het een religieus dogma dat het bouwen van dijken tegennatuurlijk is (en is het dat soms niet?), Nederland zou al lang niet meer bestaan. Maar daar denkt niemand over na.” Ik ook niet en daarom zwem ik verder.

Binnenkort laat ik hier alles achter. Het balkon waarop wij in de zomer aten en het park daarachter met de fontein, die ook 's nachts altijd hoorbaar was. Maar het meest zal ik misschien de boom missen met die lange horizontale tak, waarop de eekhoorntjes langs renden - onze eekhoorntjessnelweg. Kom hier, kom dicht tegen mij aan en vlucht vandaag niet naar je tante in Nunspeet. Weet je nog dat wij daar, zittend op die bank, verliefd op elkaar werden? Wij zijn nu tien jaar verder, tien jaar ouder geworden. Er is een nieuw huis voor nodig om je dat te vertellen.