Van zak botten tot mens

Colm Tóibín: Het verhaal van de nacht. Vertaald door Anneke Goddijn. Atlas, 318 blz. ƒ 49,90

Colm Tóibín behoort met Roddy Doyle, Joseph O'Connor en Patrick McCabe tot de belangrijkste Ierse schrijvers van het moment. Hoe verschillend hun werk ook mag zijn, één aspect, zoals O'Connor stelde, hebben ze gemeen: 'Ierse schrijvers realiseren zich iets heel belangrijks. Lezers willen verhalen. Mensen willen verhalen lezen die hun leven verrijken, die nieuws brengen over de wereld van de schrijver naar de wereld die de rest van ons bewoont.'

Voor deze mensen schrijft ook Colm Tóibín, zoals al bleek uit het veelgeprezen Het kruisteken, een persoonlijke zoektocht door Europa naar het katholicisme waarvan Tóibín afstand deed, en de roman In lichterlaaie (1995). In Het verhaal van de nacht volgen we Richard Garay, zoon van een Engelse moeder en een Argentijnse vader. Richard is opgegroeid in Buenos Aires en werd volwassen onder het bewind van Generaal Videla. In het begin van deze roman leren we Richard kennen als een introverte jongeman die bij zijn moeder blijft wonen totdat zij is overleden. Hij heeft een saaie baan als docent Engels en worstelt lang met zijn dubbele afkomst. 'Ik zei dat een deel van me, de Engelse kant wellicht, ertoe diende om de andere kant te verbergen, de Argentijnse kant, zodat ik nooit een enkel volledig ontwikkeld mens hoefde te zijn, ik kon altijd in een andere rol schieten en improviseren'.

Deze wisseling van rollen komt hem ook goed van pas bij de omgang met zijn homoseksualiteit die hij lang verborgen had gehouden en waardoor hij was aangewezen op kortstondige anonieme contacten. Richard beschouwde zichzelf reeds op jonge leeftijd als volkomen afgescheiden van de wereld. De latere politieke onderdrukking en de 'vuile oorlog' gingen aan hem voorbij. Hij lijkt zelfs het bestaan hiervan te hebben ontkend. Zijn leven bevindt zich in een onderstroom van de werkelijkheid, hij wacht op de noodzaak om boven te komen.

Dit gebeurt in de nasleep van de Falklandoorlog. Na de vernedering van deze slag om de Malvinaseilanden en de verdwijning van tienduizenden Argentijnen, was privatisering de prijs die Argentinië moest betalen om met name de Verenigde Staten te behagen. 'Het was een interessante tijd. Ik had inmiddels een hekel aan mijn werk gekregen en had geen echte vrienden in de stad. Daardoor raakte ik geïnteresseerd in het dagelijkse nieuws (-) Het was misschien zoals een kind geïnteresseerd raakt in het verzamelen van postzegels.' De noodzaak komt dus van binnenuit. Richard zegt zijn baan op en krijgt de kans een (soms zelfs corrupte) speler te worden in de strijd om een nieuwe man aan de macht te krijgen. Zo is hij er bij als Amerikaanse diplomaten besluiten dat gouverneur Carlos Menem een geschikte kandidaat is om te steunen in zijn campagne. Bovendien probeert Richard Amerikaanse zakenlieden te bewegen investeringen te doen in de olie-industrie van Argentinië.

In dezelfde periode kan Richard ook openlijker met zijn seksualiteit omgaan. Hij begint een verhouding met Pablo, die lange tijd in San Francisco heeft gewoond. Mede onder de invloed van deze Pablo lijkt Richards leven eindelijk op orde te komen; hij is van een zak botten uitgegroeid tot een volledig mens. Totdat, in een dramatisch slot, zowel zijn anonieme verleden als dat van Pablo hen beiden inhaalt.

De nogal zouteloze titel verwijst naar een nacht tijdens het generaalsbewind waarin Richard letterlijk wordt gewezen op de martelingen die plaatsvinden. Maar deze periode van de Argentijnse geschiedenis blijft op de achtergrond, omdat de hoofdpersoon buiten deze werkelijkheid leeft. Pas wanneer er zich in Richards leven een ommekeer voordoet (parallel aan de veranderingen in Argentinië), speelt de politieke situatie een directere rol en vervlecht Tóibín op een fraaie manier de innerlijke wereld van zijn hoofdpersonage met de alledaagse realiteit.

Colm Tóibín past in de traditie van Ierse verhalenvertellers, maar waar Roddy Doyle en Joseph O'Connor weten dat er een dunne scheidslijn is tussen humor en tragiek en zij zich, in de echo van Samuel Becketts woorden, realiseren dat er weinig zo grappig kan zijn als het menselijk lijden, laat Tóibín zijn personages in dit boek zelden hun gevoelens en de gebeurtenissen om hen heen relativeren. En dat is jammer, want het maakt delen van dit toch al schrijnende relaas onnodig zwaar op de hand.

Niettemin lukt het de schrijver, dankzij zijn stilistisch vakmanschap en soepele verhaaltrant, de lezer voortdurend te betrekken bij het lot van de personages, voor wie hij zelf duidelijk de grootste sympathie heeft. En hierdoor is Tóibín geslaagd in zijn opzet een realistisch (zelf)portret van een worstelend individu neer te zetten.