Thérèse de Lisieux (1873-1897); Een suikerzoete kerklerares

Jean-François Six: Thérèse de Lisieux par elle-même. Tous ses écrits de pâques 1896 (5 avril) à sa mort (30 septembre 1897). L'épreuve et la grâce. Grasset/Desclée de Brouwer, 394 blz. ƒ 61,05

Honderd jaar geleden, op 30 september 1897, stierf in het klooster van de Ongeschoeide Karmelitessen van Lisieux de vierentwintigjarige Thérèse Martin aan de tuberculose. In 1925 werd zij heilig verklaard. Op 19 oktober aanstaande zal zij tot kerkleraar worden verheven.

Theresia is de populairste heilige van de laatste paar honderd jaar. Die faam heeft ze te danken aan haar voorbeeldige leven. En aan haar public relations. Voor die pr zorgde haar zuster Pauline, die priores was in hetzelfde klooster. Het beroemde Histoire d'une âme ('geschiedenis ener ziel') werd in 1895 op verzoek van Pauline door Theresia geschreven, en verscheen een jaar na de dood van de non. De vijf meisjes Martin, op één na allen in het klooster gestorven, hingen aan elkaar omdat hun moeder vroeg was gestorven. Maar als priores was Pauline voor Theresia 'tweemaal mijn moeder'. Tot haar dood in 1951 heeft Pauline Martin de geestelijke nalatenschap van Theresia gepousseerd met een ijver die het compliment van haar jongste zusje rechtvaardigde. In vele uitgaven werden brieven, berichtjes, verzen, kattenbelletjes, gebedjes, goede wensen en de drie langere autobiografische teksten (waaronder 'geschiedenis ener ziel') afgedrukt. Stichtelijkheid stond voorop.

Maar Theresia's woorden en die van haar tekstbezorgers werden vaak niet erg goed uit elkaar gehouden. Na Pauline's dood werd het vermoeden sterker dat zij in de geschriften van haar zusje had geschrapt, en dat veel van de zogenaamde laatste woorden in Derniers Entretiens, waarmee Pauline in 1927 voor de dag kwam, Theresia postuum in de mond waren gelegd.

De clan van Lisieux

Jean-François Six heeft nu de pennenvruchten van Theresia's laatste anderhalf jaar bijeengebracht, chronologisch gerangschikt, geannoteerd en ontdaan van elke twijfelachtige correctie door wat hij 'de clan van Lisieux' noemt. Op eerdere edities, ook van haar verzamelde werken die sinds 1992 nota bene bij dezelfde uitgever als die van Six (Desclée de Brouwer) zijn verschenen, heeft hij heel wat aan te merken.

Hij polemiseert bovendien over de betekenis van Pasen 1896 in het leven en werk van Theresia. Six is ervan overtuigd dat de karmelietes toen 'de nacht van het geloof' inging, dat wil zeggen toen ze naar God hunkerde zonder hem te vinden, en dat die toestand tot haar dood bleef voortbestaan. Over die dorheid, waar veel mystici op enig moment van hun carrière onder lijden, beklaagt zij zich in de laatste persoonlijke verantwoording die zij twee maanden voor haar dood schreef. Ook de leden van de 'clan' hebben toegegeven dat het niet alleen maar rozengeur was in Theresia's geestelijk leven. Maar Six meent dat met de intrede van die nacht het godsbesef van Theresia zich verdiepte en versterkte. De lezer vindt voor Six' bewering dat 'alleen de teksten van na Pasen 1896 de ware spiritualiteit van Theresia kunnen uitdrukken' overigens maar weinig aanwijzingen. De schrijver serveert alleen hapsnap wat citaten van eerder datum en gaat een vergelijking uit de weg. Wie er zelf de oudere teksten naast legt, moet echter vaststellen dat de heilige tot haar dood dezelfde trommel heeft geroerd, zij het dat in haar latere overwegingen lijden en dood een grotere plaats innamen.

Als de religieuze mystiek mag worden samengevat als een 'lied van verlangen', dan zingt het meisje uit Lisieux een 'liedje van verlangen'. De grote Spaanse mystica naar wie zij was vernoemd, Teresa de Avila (1515-1582), schreef over het 'innerlijk kasteel', haar Franse ordegenote beleefde mystiek ter grootte van een prieel. Haar schrijfsels vertonen de lievigheid van een poezie-album, waarin de beeldspraak van engeltjes, naar vogeltjes, bloemetjes of lammetjes zwenkt. Alles is klein en hulpeloos. En zo wil de schrijfster het ook: 'want ik ben maar een kind, en kinderen bekommeren zich niet om hun woorden'. Theresia koketteert met haar zwakte. Ze verleidt met kreetjes en sprongetjes haar hemelse echtgenoot: Jezus. Want haar beeldspraak moge niet geraffineerd zijn, de strekking is dezelfde als van alle minnezang: 'de Kus van vereniging die zich tot in de Hemel voortzet'.

In Theresia's kinderpraat is de dwingelandij van de liefde makkelijker te zien dan bij volwassen mystici als Teresa de Avila of Juan de la Cruz (1542-1591), wiens lyriek nogal eens uitgangspunt voor haar versjes is. De 'kleine echtgenootjes', zoals Theresia zichzelf en haar medezusters betitelt, voelen zich vaak in de steek gelaten en dan 'moet je niet bang zijn Hem te zeggen dat je van Hem houdt, al voel je het niet, want dat is de manier om Jesus te dwingen je te hulp te komen'. Net als gewone geliefden schuwen ook mystici een beetje emotionele chantage niet.

De preoccupatie van Theresia met lijden en dood dateert van lang voor Pasen 1896 en is tot op zekere hoogte een keurmerk van alle mystieke vervoering. Religieuze beeldspraak verwijst naar een hemelse werkelijkheid. De mysticus heeft haast daar te komen. Theresia noemde haar kleine weg ook wel 'de lift naar God'. Zo verwelkt de roos, verkilt het vogeltje en sterft het lammetje ook al veelvuldig in haar werk van voor 1896.

Jean-François Six, die eerder een boek heeft geschreven over de jeugd van Theresia (1972) waarin hij veel beeldspraak ongegeneerd terugvoerde op oedipale conflicten, weigert in dit werk haar gevoel van verlatenheid van na Pasen 1896 in verband te brengen met haar gezondheidstoestand. Daarmee volgt hij de aanwijzingen van de heilige zelf, want Theresia schrijft wat een vreugde zij beleefde toen zij op de ochtend van Goede Vrijdag 1896 het bloed op haar kussen ontwaarde dat zij die nacht had opgegeven: 'het was als een zacht geruis waarmee de Echtgenoot zijn komst aankondigde'. Maar onmiddellijk daarna schrijft zij dat zij zich opeens kon verplaatsen in de zielen die niet geloofden. Ook zij wilde vanaf dat moment vaak geloven, maar kon dat niet altijd.

De tuberculose zou haar fataal worden. Maar haar geloofstwijfel bleef volgens haar laatste verantwoording tot het bittere einde. Toch vindt de lezer daarvan maar weinig sporen terug in haar latere brieven en gebeden. Haar 'spiritualiteit' bleef ook de laatste anderhalf jaar voor haar dood die van de bonte wei, vol bloemen en vlinders. We moeten aannemen dat Theresia in het verborgene meer moeite met haar sterfbed heeft gehad dan haar heftig beleden doodswens liet geloven en dat haar verdriet de vorm van periodieke twijfel aannam.

Genade

Six, die in dit boek zijn psychoanalytische duidingen heeft ingewisseld voor een literaire aanpak, had wel eens op de connecties kunnen wijzen tussen Theresia's smachten en 'the romantic agony'. Hij heeft wel kritiek op de kwezelachtigheid van de 'clan van Lisieux', maar zijn eigen hagiografie duldt geen kanttekening bij Theresia's heiligheid. Ook het ontbreken van de wereldse kanten van haar leven is een stap achteruit ten opzichte van zijn eerder onderzoek. In zijn verhaal over Theresia's jeugd pakt Six uit over het reactionaire katholieke milieu en het neurotische gezin waarin zij opgroeide, en over haar plaats daarin. In zijn laatste boek rept hij met geen woord over de verdoeming van de vrijmetselaars en de goddeloze wetenschappers die in haar toneelstukje te vinden is. Het is een en al goddelijke beproeving en genade wat de klok slaat.

De lezer kan zich weliswaar vermaken met de beschrijvingen van oude lastpakken van nonnen. Maar wat het huishoudelijke overstijgt, gaat bij Theresia door de mal van de pathetiek die ook de gipsen Maria's en de suikeren Jezussen van de eeuwwisseling produceerde. De kerk heeft Theresia een slechte dienst bewezen door haar onder de 'doctores ecclesiae' op te nemen. Men kan zo tien plaatsen in haar overdenkingen vinden waarin zij het verschil uiteenzet tussen haar en grote geesten als Teresa de Avila en Catharina van Siena, de twee vrouwelijke kerkleraren waar ze nu naast moet tronen. Misschien hád zij een goede leraar kunnen worden. Haar omgang met de jeugdige kloosterlingen wijst daarop. Voorbeeldig zijn haar korte leven en kleine oeuvre alleen in de zin van een 'gekrookt riet'. De verzuchtingen van een doodzieke jonge vrouw vinden nog altijd een groot gehoor. Maar te leren valt er weinig uit deze sentimentele geschriften en hun rancuneuze toelichting, behalve in wat voor troebel water je terecht komt als je lijden en dood een zin wilt geven, tegen alle weerzin in.