TGA speelt een voorbeeldige 'Zinsbegoocheling'

Voorstelling: Zinsbegoocheling van Corneille door Toneelgroep Amsterdam. Vert. Jules Noyons. Regie: Gerardjan Rijnders. Decor: Paul Gallis, Jan Klatter. Kostuums: Rien Bekkers. Spel: Hajo Bruins, Pierre Bokma, Roos Ouwehand e.v.a. Gezien: 16/10, Stadsschouwburg, Amsterdam. Aldaar t/m 18/10, 12 t/m 15/11, 10 t/m 13/12. Inl. 020-6242311. Elders t/m 23/12. Inl. 020-5237800.

L'Illusion Comique, een komedie van de zeventiende-eeuwse Franse toneelschrijver Pierre Corneille die Toneelgroep Amsterdam nu uitvoert als Zinsbegoocheling, wordt door het gezelschap een 'ironisch' sprookje genoemd. Dat is terechter dan men misschien vermoedde. Uitgerekend de groep die altijd zo te hoop is gelopen tegen het lijsttoneel in het algemeen en de toneellijst van de hoofdstedelijke Stadsschouwburg in het bijzonder, speelt nu een voorstelling, waarvoor de decorontwerpers Paul Gallis en Jan Klatter een extra lijst bedachten. Het gevaarte, aan weerszijden door het eigen atelier kundig voorzien van schilderingen van loges met ongetwijfeld beroerde zichtlijnen, is overigens een functionele vondst.

Toneel in toneel biedt Corneilles stuk. Vader Pridamant (Jacques Commandeur) zoekt zijn door hemzelf verjaagde zoon en de magiër Alcandre (Sigrid Koetse) toont hem hoe het de rokkenjager is vergaan. Van tijd tot tijd voorzien zij de gebeurtenissen op het toneel van commentaar, waarop Alcandres toverstaf het klassieke voordoek weer doet verdwijnen, de extra toneellijst zich verwijdt en het verhaal zich verder ontwikkelt. Tot halverwege het stuk kijken we naar 'realiteit', daarna, zo blijkt pas in de epiloog, gaat het om een tragedie, waarin de verloren zoon Clindor (Pierre Bokma) triomfen viert op de Parijse podia. Niet alleen veroorzaakt Corneille op deze manier 'zinsbegoocheling' (een treffende vertaling van de titel door Jules Noyons die ook overigens voor soepel vertaalde Nederlandse alexandrijnen zorgdroeg), het procédé geeft hem ook de mogelijkheid op verschillende niveaus een moraal uit te dragen.

'Liefde gruwt van dwang' is er éen, eerherstel voor het toneel een subtiele tweede. De reactie van Alcandre op de teleurstelling van Pridamant over het verdorven beroep van zijn zoon, aan het slot, pakt grappiger uit dan ik me had voorgesteld. Haar observatie dat 'zelfs onze koning (-) zijn oog en oor (weleens) (leent) aan 't nationaal toneel' pleit voor de theaterkunst, maar is voor wie het horen wil tegelijkertijd een commentaar op de verhoudingen in het hedendaagse toneel. Het toevallige sousentendu wil dat het in Den Haag gezetelde Nationale Toneel geaccepteerd is in de hoogste kringen terwijl Amsterdam een rebellenclub huisvest.

Het hoofdstedelijke gezelschap is intussen wellicht het enige dat een enscenering als deze, van artistiek leider Gerardjan Rijnders, produceren kan - en dat gelukkkig ook doet. Hoeveel publiciteit er vóor de première ook geweest is, de pracht en praal van de kostuums (Rien Bekkers) en decors laten niet na verbazing en bewondering te wekken. Zogenaamd zeventiende-eeuws zijn Bekkers' creaties stuk voor stuk imposant, royaal van overdrijving, met huizenhoge krulpruiken, rijkelijk bestikte jasjes, bonte accessoires en perfect geplisseerde stroken. De kleuren variëren van oker tot mauve, van bloedrood tot kobaltblauw. Het coulissendecor voorziet in adembenemende (door Reinier Tweebeeke ragfijn belichte) kanten doorkijkjes, van groen struweel en majestueuze paleisfragmenten, waarin het gekwinkeleer van onze gevederde vrinden weliswaar ontbreekt maar toch hoorbaar is.

De oogverblindende buitenkant van de voorstelling is in alle overdaad subtiel en evenwichtig, temeer daar de episode waarin Clindor in de gevangenis zit, zich afspeelt in een kaalslag van louter licht, een enkele voorhang en een strikt symmetrische mise-en-scène van de personages. En de vormgeving heeft in de regie bovendien een evenknie gekregen.

De acteurs zijn rekwisieten, maar op minder steriele wijze dan ze dat in Rijnders' alleszins vergelijkbare enscenering van Racines Andromache (1990) waren. De stijl van pose en bevroren geste is verdiept en eigen gemaakt en de speelse Corneille is een beter contrapunt voor de gekunsteldheid dan de granieten Racine. Bij de laatste is een lachend publiek een twijfelachtig compliment, bij Corneille juist de bedoeling.

Voorbeeldig en maatgevend noem je een voorstelling als deze - en uniek in internationaal opzicht, daar ben ik van overtuigd. Juist omdat Toneelgroep Amsterdam ook balorig repertoire niet schuwt, is geen detail gebaseerd op conventie, alles is doordacht, bedacht, gekozen. Zo is de cadans die Hajo Bruins als de snoever Matamore aanbrengt in zijn alexandrijnen (evenals in zijn motoriek trouwens) even gewaagd als doeltreffend, vooral omdat hij omgeven is door acteurs als Bokma en Roos Ouwehand (die de door allen begeerde Isabelle speelt), die hun teksten zo alledaags mogelijk behandelen, waarbij zij Corneilles voortreffelijke retoriek zorgvuldig in acht nemen. De beste in dit opzicht is overigens Malou Gorter als de meid Lise. Zij paart de volksheid van haar personage superieur aan elegantie en boerenslimheid aan redeneerkunst. Zij is de belichaming van het ogenschijnlijke gemak, waarmee Toneelgroep Amsterdam een onderneming als deze enscenering tot een ontroerende, sensationele gebeurtenis maakt.