Te weinig informatie voor beleid tegen straatgeweld

Hoe vaak komt geweld op straat voor? Dit blijkt afhankelijk van interpretatie, en die verschilt per politiekorps. Een landelijk overzicht heeft niemand.

ROTTERDAM, 17 OKT. De dood van Meindert Tjoelker op 13 september in Leeuwarden vestigde landelijk de aandacht op 'zinloos geweld'. Als de vraag echter wordt gesteld hoeveel geweld er in Nederland zonder enige aanleiding op straat of in openbare gelegenheden plaatsvindt, kan niemand die beantwoorden.

Tjoelker werd zomaar doodgeschopt in het centrum van Leeuwarden. Daarop volgden tegenstrijdige reacties als “het geweld op straat neemt toe”, en “het is niet anders dan vroeger”. Het blijken uitspraken die nauwelijks aan betrouwbare feiten te toetsen zijn.

In juni van dit jaar concludeerde de Rekenkamer dat het volstrekt onduidelijk is hoeveel agenten er precies in Nederland rondlopen. Precies zo is het met de registratie van de verschillende misdrijven die in Nederland plaatsvinden. “Een compleet landelijk overzicht van misdaadcijfers is nu niet te geven”, aldus W. van Blanken, secretaris van het Platform Politiële Informatievoorziening.

Drie jaar geleden is het politiebestel ingrijpend gewijzigd. Toen werden 130 korpsen samengevoegd tot 25 regionale korpsen. De Rotterdamse korpschef B.A. Lutken, portefeuillehouder Informatie- en Automatiseringsbeleid binnen de Raad van Hoofdcommissarissen, zei enkele maanden geleden in het blad Computable dat het destijds “een brug te ver was” om een landelijk registratiesysteem door te voeren. “Dat komt mede omdat bij diverse korpsen nog voor de fusie forse kapitaalinvesteringen waren gedaan in computersystemen”, aldus Lutken.

De vijfentwintig politiekorpsen in Nederland hanteren verschillende computersystemen waarin ze op hun eigen wijze criminaliteit registreren. Bij sommige korpsen valt bijvoorbeeld het zonder enige aanleiding in elkaar slaan van een fietser op het fietspad onder het kopje 'verkeersongeluk'. Bij andere korpsen heten zowel een echtelijke ruzie waarbij de vrouw door de man wordt gemolesteerd, als het zonder reden trappen of slaan van iemand op straat 'mishandeling'.

Op deze pagina staat daarom niet meer dan een indicatie van het geweld dat in openbare gelegenheden in Nederland plaatshad in de maand die volgde op de dood van Tjoelker. Door 'vervuilde' computersystemen is slechts een ruwe indruk te geven. Want de verscheidene politieregio's bepalen zelf wat ze relevant vinden: de beslissing tot welke categorie delicten te rekenen, is afhankelijk van interpretatie, die per regiokorps kan verschillen, en van de verschillende manieren waarop ze vervolgens worden geregistreerd.

Het regiokorps Drenthe werkt bijvoorbeeld met het zogenoemde Bedrijfsprocessen Systeem (BPS). De misdrijven in Drenthe zijn verdeeld in 971 codes. Zo bestaan er bijvoorbeeld voor geweldsmisdrijven twaalf codes. Die lopen uiteen van 'geweld met vuurwapen' tot 'geweld zonder letsel', maar de locatie van het misdrijf is niet in de codes verwerkt. “Als een agent een proces-verbaal maakt moet hij bepalen 'wat is dit'. Vervolgens voert hij het in onder de daarvoor bestemde code in de computer”, zegt een woordvoerder.

Voor zinloos geweld in het openbaar zonder aanleiding bestaat geen code in Drenthe. “Als je dat wilt vaststellen moet je daar een code voor maken. Over een paar weken weet je dan precies hoe vaak dat voorkomt.” Hoe precies dat is, is nog maar de vraag. In sommige korpsen die ook BPS gebruiken, zoals Zuid-Holland Zuid, komt het voor dat iedere agent die bij een misdaad aanwezig is, het delict in de computer invoert. Zo kan dezelfde vechtpartij drie keer worden opgeslagen.

Een politievoorlichter uit het oosten van het land noemt het bijhouden van criminaliteitscijfers dan ook 'zeer onbetrouwbaar'. Hij zegt: “Wij houden ook al geen oplossingspercentages (d.i.: van misdrijven, red.) meer bij zoals minister Sorgdrager dat wil. Want met al die verschillende zoekcodes kun je ieder gewenst percentage uit de computer toveren.”

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in Voorburg probeert elke drie maanden de landelijke misdaadcijfers op een zo betrouwbaar mogelijke manier vast te leggen. Hier worden misdrijven op basis van overtreding van artikelen uit het Wetboek van Strafrecht geordend. Onder het kopje 'geweldsmisdrijven' onderscheidt het CBS: Seksuele misdrijven, bedreiging, poging tot doodslag, voltooide doodslag, overige misdrijven gericht tegen het leven, mishandeling, dood en lichamelijk letsel door schuld, diefstal met geweld en afpersing. “Alleen registratie per wetsartikel is voor alle korpsen hetzelfde. We houden niet bij of een misdaad bijvoorbeeld binnenshuis of buitenshuis heeft plaatsgevonden. Het kan natuurlijk altijd gedetailleerder als opdrachtgevers daarom zouden vragen”, zegt een woordvoerder van het CBS.

Ook het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie is dit jaar begonnen met het analyseren van misdrijven via een eigen systeem. De afgelopen maanden heeft het centrum 635 strafdossiers van de negentien verschillende arrondissementsrechtbanken in Nederland geanalyseerd. “Maar we kunnen dus op basis hiervan geen cijfers geven over de landelijke ontwikkelingen”, aldus B. Wartna, zegt projectleider van de strafrechtmonitor van het WODC.

Binnen de politie is informatievoorziening de laatste tijd een voortdurend onderwerp van gesprek, maar de weg naar een uniforme landelijke registratie is nog lang. Volgens W. van Blanken, secretaris van het Platform Politiële Informatievoorziening die namens de Raad van Hoofdcommissarissen voorstellen doet om tot informatieverbetering te komen, ontbreekt het door de huidige manier van registreren “aan voldoende informatie op grond waarvan je beleid kunt maken”. “De korpsen kunnen op dit moment eigenlijk geen verantwoording afleggen over het werk wat ze doen. Het is de bedoeling dat er in december voorstellen worden gedaan in de Raad van Hoofdcommissarissen voor de toepassing van één systeem op termijn, maar het kan nog wel vijf jaar duren voordat een dergelijke informatievoorziening bestaat”, aldus van Blanken. Tot die tijd zullen de meeste uitspraken over misdaadcijfers in Nederland niet op harde feiten gebaseerd zijn. Van Blanken: “Dat klopt. De meeste mensen roepen maar wat.”