Sterk Europa is bespreekbaar; J.H. Sampiemon is redacteur van NRC Handelsblad.

In Europa worden verschillende agenda's gevoerd, nationale en min of meer communautaire. Vorige week ontsprong in Straatsburg een nieuwe loot aan Europa's zo vruchtbare stam. In de marge van topoverleg in de Raad van Europa vonden de presidenten Jeltsin en Chirac en kanselier Kohl elkaar in een trojka die, volgens Jeltsin, moet gaan werken aan een groot en machtig Europa dat rivalen voorbijstreeft.

Nadruk legde het Russische staatshoofd verder op de ontwikkeling en de handhaving van rechtsbeginselen, zo niet binnen een Europese rechtsstaat, dan toch binnen een hecht Europees statenverband. Hij maakte aldoende een diepe buiging voor de doelstellingen van de Raad, het forum dat hij toesprak en waarbinnen de nodige twijfels bestaan over de naleving van die doelstellingen in de nog jonge lidstaat Rusland zelf.

Op zichzelf behoeft geen tegenstelling te bestaan tussen een beginselvast en een machtig Europa. Maar het dilemma is niet eerder op hoog niveau zo scherp gesteld als Jeltsin nu heeft gedaan. Dat heeft te maken met de Europese geschiedenis. Nadat de Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie het nationale zelfbewustzijn in Europa, het Russische uitgezonderd, hadden gekraakt, hebben de meeste Europese landen zich een tijdlang neergelegd bij onderlinge samenwerking onder de hoede van een van de twee resterende supermogendheden. In het ene deel van Europa gebeurde dat onder dwang, in het andere vloeide het voort uit een diep besef van eigen onmacht. Het ene land kwam later tot dat besef dan het andere, maar uiteindelijk heeft nagenoeg iedereen zich geschikt, zij het niet altijd in dezelfde mate.

Dat was de toestand tot 1989. Sinds de Sovjet-Unie van de kaart verdween, haar voormalige satellieten kandideerden voor de NAVO en de Europese Unie en Rusland veranderde in het wilde oosten zijn de oude arrangementen onder druk komen te staan. Structuren als Warschaupact en Comecon volgden de Sovjet-Unie in de vergetelheid, de NAVO en de Europese Gemeenschap begonnen aan een proces van verandering waarvan het resultaat acht jaar na de val van de Muur nog hoogst onzeker is. Uitbreiding wordt het panacee geacht, maar over het Europa van de 21ste eeuw bestaat nauwelijks een heldere visie, laat staan consensus.

De centrale vraag, die onverhoeds, zij het versluierd, door Jeltsin voor een Europees forum werd gesteld, betreft de verhouding tot de Verenigde Staten. Zal de historische en innige Atlantische band leidraad blijven, of zal rivaliteit tussen de twee continenten de boventoon gaan voeren? De uitbreiding van de NAVO suggereert het eerste, de verdere ontwikkeling van de Europese Unie en van aanverwante Europese instellingen schept de mogelijkheid van het tweede.

Al tijdens de onderhandelingen met het Kremlin over de relatie tussen Rusland en een uitgebreide NAVO bleek de nuance tussen de Verenigde Staten en sommige Europese bondgenoten. Waar Amerika de NAVO als een gesloten blok wilde behouden waarin een buitenlid als Rusland niet meebeslist, daar toonden Fransen en Duitsers zich gevoelig voor het Russische ontwerp van een Europees veiligheidsconcept waarvan de nieuwe NAVO (slechts) een bestanddeel zou zijn. De trojka van Jeltsin, Chirac en Kohl zal zich vermoedelijk gaan bewegen op de scheidslijn tussen het Atlantische en het Europese concept.

De bouwstenen voor een sterk Europa dat zich afzet tegen Amerika liggen klaar, evenals de conflictstof. De euro heeft de belofte zich te ontwikkelen tot een tweede reservevaluta in de wereld. De voortijdige kritiek uit Amerika op Europa's monetaire eenheid lijkt geïnspireerd door de vrees dat de dollar haar unieke positie zou kunnen verliezen. Dat zou gevolgen hebben voor trans-Atlantische conflicten die de Amerikanen nu nog naar hun hand zetten, zoals de kwestie van het extra-territoriale karakter van Amerikaanse wetgeving. In de benadering van landen als Irak, Iran en Cuba staan de Europese landen al dichter bij Rusland dan bij de Verenigde Staten. In het Palestijns-Israelische conflict liggen de zaken niet veel anders.

Een tweede vraag wordt opgeworpen door het nieuwtje dat de belangrijkste drie continentale landen elkaar jaarlijks op het hoogste niveau zullen ontmoeten. Van die bijeenkomsten zullen niet alleen de VS maar ook de Europese partners zijn uitgesloten. Hoe zal dat beraad zich verhouden tot het overleg in de Atlantische en Europese instellingen? Natuurlijk, ook nu ontmoeten staatshoofden, regeringsleiders en ministers elkaar buiten die instellingen om en sommige van hen onderhouden intensief telefonisch contact. Zolang dergelijk overleg de gemeenschappelijke besluitvorming niet doorkruist, is daar meer voor dan tegen. De Frans-Duitse as, of, iets dynamischer, motor, is jarenlang beschouwd als onontbeerlijk voor de voortgang van de Europese eenwording. Maar een geïnstitutionaliseerde samenspraak van de belangrijkste twee Unie-leden bestaat er zelfs met de Verenigde Staten niet.

De trojka kan maar een ding betekenen: de betrokken landen zien reden voor exclusief overleg buiten oude en nieuwe kaders om. Anders gezegd, als in die kaders niet of onvoldoende rekening wordt gehouden met hun bijzondere voorkeuren en wensen, dreigen zij hun eigen weg te gaan. De veelheid van instellingen die in Europa actief zijn, lijkt nauwelijks ruimte te laten voor een dergelijke exclusiviteit. De NAVO, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de Raad van Europa en de Europese Unie dekken, samen met hun parlementen, praktisch alle aspecten van het politieke en het maatschappelijke leven, of bieden een optie om die gezamenlijk in te vullen. In Straatsburg werd zelfs gewaarschuwd voor een toenemend aantal overlappingen van werkzaamheden.

Maar als in Europa de machtsvraag wordt gesteld, voldoen al die instellingen niet. De NAVO en de OVSE, beide voortbrengselen van de Koude Oorlog, illustreren de Amerikaanse garantie voor de veiligheid van en binnen Europa. Hun bestaan onderstreept het chronische gebrek aan Europese zelfstandigheid. De Raad van Europa ontleent zijn existentie aan het bevorderen van het recht en de rechtshandhaving in de aangesloten landen. Het gaat daar om normen en waarden, niet om macht en rivaliteit. De Europese Unie heeft tot dusver de machtsvraag ontlopen. Jeltsin heeft nu die vraag opgeworpen. De trojka lijkt het antwoord ten langen leste van zichzelf te verwachten. Een taboe staat op het punt te worden doorbroken.