Sobere roman van Marga Minco; Het onherstelbare verleden

Marga Minco: Nagelaten dagen. Bert Bakker, 119 blz. ƒ 29,90

De tijd verstrijkt, de wond wordt niet geheeld, zoveel is duidelijk na lezing van de roman Nagelaten dagen. Sinds Marga Minco, die als enige van een joods gezin de Tweede Wereldoorlog overleefde, in 1957 debuteerde met Het bittere Kruid, weten we dat de ramp van het overleven haar thema is. Al haar boeken (De andere kant, Een leeg huis, Verzamelde verhalen, de Glazen brug en De Val), die stuk voor stuk oplagen bereikten van vele tienduizenden, handelen over wat er tijdens de bezetting is gebeurd en over de onmogelijkheid daar ooit van los te komen.

Nagelaten dagen, dat zich, blijkens een kleine verwijzing aan het begin van het boek, begin jaren negentig afspeelt, is misschien wel het aangrijpendste van haar kleine, verstilde, maar trefzekere oeuvre. De hoofdpersoon, een vrouw die sterke gelijkenis vertoont met Marga Minco, komt erachter dat pogingen tot reconstructie van de geschiedenis, tot het ordenen van herinneringen, tot het herstellen van de eigen identiteit, kortom tot verwerking van het verleden, geen enkele kans van slagen hebben. Tegelijkertijd bestaat het heden van de ik-figuur alleen maar uit wroeten in dat verleden. Daarbuiten is er niets. Over het hier en nu van de vrouw komen we slechts te weten dat ze een al wat oudere schrijfster is die in Amsterdam woont. Of ze een man heeft en kinderen, of ze ooit - na de oorlog - geluk heeft gekend, dat alles blijft in nevelen gehuld. Waar het uitsluitend om draait is dat in de oorlog haar ouders en haar zus Bettie met haar echtgenoot zijn gedeporteerd, en nooit meer teruggekeerd.

Tussen de regels door begrijpen we dat de ik-figuur het zichzelf kwalijk neemt dat ze niet mee ten onder is gegaan. Ze voelt het als verraad dat ze haar zuster niet heeft kunnen overhalen om samen met haar onder te duiken. 'Ik verliet mijn zuster en bleekte mijn haar', schrijft Minco. Dit is een van de weinige aanwijzingen die ze geeft over de manier waarop haar hoofdpersoon het gered heeft. Behalve de kleur van haar haren, heeft ze indertijd haar naam en daarmee haar identiteit veranderd, wat haar heeft gemaakt tot iemand die voorgoed van zichzelf is vervreemd. Ze is geobsedeerd door het idee een incomplete tweeling te zijn, die zich de amputatie zelf aanrekent.

Voor het oudere, getalenteerde zusje Bettie dat haar, voor de oorlog, in bescherming nam tegen antisemitisch getinte pesterijen, voelt ze zich, zeker sinds ze zelf de oudste geworden is, verantwoordelijk. Dat verantwoordelijkheidsgevoel overviel haar toen ze Bettie in april 1942 vergeefs probeerde weg te halen bij haar verloofde. 'Ik heb mijn arm om haar heen geslagen in het besef dat de rollen waren omgedraaid.' Een maand later, op 5 mei 1942, trouwde Bettie en kort daarna werd ze gedeporteerd. Vanaf dat moment begint een wanhopige want vergeefse zoektocht naar het zusje dat altijd jong, mooi en veelbelovend is gebleven en dat zo hartverscheurend wordt gemist.

Hoe geef je dierbaren, die van de ene op de andere dag uit je leven worden weggerukt, een plaats in je herinneringen? Met die vraag worstelt de ik-figuur. Tegelijk vergeet ze steeds meer, naarmate de oorlog langer voorbij is. En ten dele wil ze ook bewust vergeten. Het huis aan de Sarphatistraat van waaruit haar ouders zijn weggevoerd bijvoorbeeld, mijdt ze als de pest. Maar over Bettie heeft de hoofdpersoon een verhaal geschreven, net als Marga Minco. ('De dag dat mijn zuster trouwde', gepubliceerd in de Avenue van mei 1970).

Het verhaal gaat de wereld over en zo komt de schrijfster via via in contact met de in Californië wonende Eva Ruppin, van wie zij het bestaan niet kende, maar die de enige zuster blijkt te zijn van Betties echtgenoot. Eva wendt zich tot de schrijfster met het verzoek in Amsterdam te speuren naar spullen uit haar ouderlijk huis, die in de oorlog bij de buren van haar moeder in bewaring zijn gegeven. Vooral aan een grote blauwe Japanse kom blijkt ze bijzondere waarde te hechten.

Met tegenzin voert de schrijfster deze taak uit. Ze had al eerder te maken gehad met 'bewariërs', mensen die de spullen van weggevoerde joden weigeren terug te geven. Maar deze keer gebeurt er iets anders. Het 'bewaarhuis' wordt toevallig juist ontruimd - wegens dementie van de oorspronkelijke bewoonster - en wel door een vrouw die tijdens de oorlog in een Jappenkamp blijkt te hebben gezeten. Ze wordt ziek en ellendig als ze daaraan denkt. Ze heeft haar verleden afgesloten. 'Weet u', zegt ze tegen de schrijfster, 'ik geef totaal niet om spullen'. Het enige voorwerp dat de schrijfster uit de inboedel van de 'bewariërs' meekrijgt, is de blauwe kom, die niet voor niets van Japanse makelij is.

De vervreemdende ervaring in het 'bewariër-huis', bijna vijftig jaar na de oorlog, is een sleutelscène in deze korte roman. De schrijfster en de overlevende van het Jappenkamp lijken in niets op elkaar. Ze hebben elk een andere oorlog meegemaakt, die ze allebei totaal verschillend verwerken en waarover ze in een voor beiden vreemd huis, op zoek naar spullen die hen geen van beiden iets zeggen, niet kunnen spreken. Aan deze ervaring geeft Minco een algemene betekenis. De onmogelijkheid om zin aan herinnering te geven of verdriet te delen herhaalt zich namelijk en wordt dan pas echt pijnlijk.

De ik-figuur gaat op bezoek bij Eva in Californië. Vier dagen brengen de zus en schoonzus van Bettie samen door. Hoe opgewonden de twee vrouwen ook zijn over het wonderbaarlijke feit van hun ontmoeting, ze hebben elkaar weinig te vertellen. Eva heeft Bettie nooit gekend. Wel bezit zij een album dat de schrijfster in 1942 ter gelegenheid van Betties huwelijk heeft gemaakt. Als de ik-figuur dat album, waarvan ze het bestaan vergeten was, te zien krijgt, ontrolt zich voor haar ogen de jeugd van de twee innig verbonden zusjes. 'Het was of de motor van mijn geheugen een slag werd teruggedraaid. Het bewijs was onmiskenbaar geleverd: Zo was het. Zo hadden wij eruit gezien. Zo waren de kleine voorvallen die zoveel betekenden in onze zorgeloze jeugd.'

Eva, die nooit naar het album heeft omgekeken, wil het ding om onduidelijke redenen niet kwijt. Ten slotte geeft ze het toch mee aan haar bezoekster, die een tijd later op haar beurt de Japanse blauwe kom aflevert in Californië. Maar Eva, intussen dement geworden, laat het dierbare voorwerp waar ze vijftig jaar naar heeft verlangd, aan scherven vallen.

'De nagelaten dagen' van de titel zijn de dagen die door middel van het vergeten fotoalbum aan de schrijfster worden teruggegeven. Maar misschien zijn de nagelaten dagen ook de dagen, bijvoorbeeld die vier in Californië, waarin de overlevenden nalaten gezamenlijk betekenis aan hun herinneringen te verlenen. Omdat zij het niet kunnen.

Margo Minco heeft steeds minder woorden, steeds minder uitleg, nodig om haar peilloos trieste verhaal te vertellen. Het is alsof ze duidelijk wil maken dat wat haar beroert geen verhaal is. Juist het ontbreken ervan veroorzaakt depijn. Wat overblijft zijn losse voorvallen, willekeurige herinneringen, vreemde coïncidenties, stemmingen, gevoelens. De ik-figuur probeert al die losse flarden kunstmatig samenhang te verlenen. Een samenhang, gesymboliseerd in de 23 bijeengebonden bladen van het album dat haar wordt nagelaten. Ze krijgt iets terug, wat ze ooit heeft weggegeven en haar dus eigenlijk niet meer toebehoort. Het album is het enige wat haar nog rest. Eva, die de Japanse kom uit haar handen laat glippen, heeft niets meer, maar, zo lijkt de hoofdfiguur te suggereren, wellicht is ze beter af.

Na tien jaar van zwijgen heeft Marga Minco opnieuw een mooi, maar diep onthutsend boek geschreven. Haar stilistische perfectie, de sobere schoonheid van haar schaarse taal en beelden, de raadsels, bewuste omissies, en verwijzingen naar eerder werk lossen niets op. Nagelaten dagen brengt uitkomst noch troost. Wie het boek dichtslaat weet dat het nooit goed komt. Vergeten kan niet, vergetelheid is de enige hoop.

Uit: Marga Minco, Nagelaten Dagen

Eva scheen nergens wat van te merken; door alle inspanning was ze in diepe slaap gevallen. Ik raapte de scherven op, gooide ze in de pedaalemmer, bovenop de emballage. Het deksel van de kom was heel gebleven. Het was naar de muur gerold en omgekeerd blijven liggen. Ik zette het op het kastje naast het bed, precies zoals het was neergekomen, op de standring.

Het stond er nog net zo. Onaangeroerd, leek het. Maar toen ik dichterbij kwam zag ik dat het deksel een slag gedraaid was. De blauwe vogel met de gestrekte hals en de opgeheven snavel keek nu in de richting van het raam, of hij eindelijk kon wegvliegen.