Sciarrino's ruis heeft de romantiek nog steeds als bron

Concert: 'I fuochi oltre la ragione' van Salvatore Sciarrino door Koninklijk Concertgebouw Orkest o.l.v. van Riccardo Chailly. Gehoord 16 oktober Muziekcentrum Vredenburg Utrecht. Herh.: 17 oktober Concertgebouw Amsterdam. Uitzending AVRO 8 november 14u. Radio 4.

Het Koninklijk Concertgebouworkest speelde in 1992 en 1993 werken van Salvatore Sciarrino, de Italiaanse meester van de ruis in al zijn ongekende schakeringen en delicate fluisteringen. Donderdag klonk in Utrecht - het concert wordt vanavond in Amsterdam herhaald - weer een stuk van hem: I fuochi oltre la ragione (Het Redeloze Vuur), gecomponeerd in opdracht van het KCO. De componist kon na een ernstig auto-ongeluk in Milaan niet bij de première aanwezig zijn.

De ene ruis is de andere niet. Cage ging in zijn bevrijding van de klank een stapje verder dan Varèse: 'er schuilt nog te veel Varèse in Varèses muziek.' Cage's ruis levert een pure muziek op, zonder enig psychologisme of verwijzing naar wat dan ook: klank is klank en ruis is ruis. De grote ruiscomposities van Helmut Lachenmann lijken op die van Sciarrino, maar zijn kritischer ten aanzien van de bron, de Romantiek. De ruisstukken van George Crumb verwijzen naar horroreffecten èn de sensuele Debussy.

Ook Sciarrino heeft de Romantiek als bron - titels als Kindertotenlied en Claire de lune - en neemt daarbij een middenpositie in. Zo ijzig als een Lachenmann is hij niet en even zinnig straalt er een ondubbelzinnig Crumb-achtige erotiek van zijn ruis.

Wat Sciarrino in het programmablad Preludium verkondigt ('we leven temidden van wapens en wat pas echt verschrikkelijk is: we zijn er aan gewend'), getuigt van een engagement dat ik tot nu toe niet in zijn ruiscomposities tegenkwam. Misschien betekent dit nieuwe werk, waarin de componist de luisteraar tot een stellingname dwingt, een cesuur in zijn oeuvre. En dat moment is dan exact verifieerbaar in het midden van zijn nieuwe compositie Het Redeloze Vuur.

Het eerste deel drukt de tijd uit in fysiologische zin (vrije beleving), het tweede deel in een niet-fysiologische zin (dwingende beleving van de exacte klokkentijd). Die delen worden gescheiden door een pistoolschot, waarvoor het publiek in Vredenburg van tevoren werd gewaarschuwd. Door het schot verandert de perceptie. Wegdoezelen in de ijlheid van de ademklanken kon niet meer, echo's van het schot zorgden voor blijvende onrust.

Aldus benaderde Sciarrino meer dan anders in deel één Crumb, zeker op de plaatsen waar zijn arabesken stollen in klagende kreten. Deel twee lijkt nog het meest op Lachenmann. Maar ook dan blijft Sciarrino minder meedogenloos, noem het muzikaler. Zijn muziek is minder verbonden met pamflettisme, dan met de resten van een verloren romantische expressie, die toch aanwezig is in ons bloed. Laten we het maar opvatten zoals in zijn eenakter Vanitas, als een memento mori in een Vanitas-stilleven.

Sciarrino's kracht schuilt voorts in zijn behandeling van de strijkers. Hij schreef vooral veel voor alt-viool en cello, waar de meeste avantgardisten excelleren in composities voor blazers en uiteraard slagwerk, en op de een of andere wijze hoor je ook zijn verbondenheid met de late Beethoven.

Gewoner is Giacomo Manzoni's muziek in zijn Scene sinfoniche per il Doktor Faustus (1984-85), een voorstudie voor de gelijknamige opera. Manzoni was van begin af aan een geëngageerd kunstenaar, zoals Lachenmann en vooral zijn leraar Luigi Nono. Thomas Manns roman Doktor Faustus heeft in Nederland model gediend voor Simon Vestdijk en Konrad Boehmer muzikaal geïnspireerd tot een opera met popmuziekinlassen. Manzoni echter is een estheet, die in zijn verklanking van de muzikale queeste van de hoofdpersoon, de componist Adrian Leverkühn welluidend invoert, liefst nogal kitscherig met een vrouwenkoor wat van verre klinkt.

Het is elegante, fraaie muziek, maar niet erg geloofwaardig in zijn vreemde fusie tussen Italiaanse decoratie en Duits heftig expressionisme. Eigenlijk is me dan Boehmers apocalyptische muziek liever, want daarin valt de wereld krijsend uiteen en dat is dat. Maar aan Chailly en het orkest heeft het niet gelegen, het bravo na afloop was in de eerste plaats een hulde aan onvoorwaardelijke inzet.