Realistische sensatiejagers

Alleen in het atelier: Koen Ebeling Koning, Ronald Ophuis en Jan Peter Muilwijk, Bergkerk, Bergkerkplein 1, Deventer. T/m 2 november.

Wild East, Wild West: Ronald Ophuis en Stephen Shanabrook. De Praktijk, Lauriergracht 96hs , Amsterdam.

Hillary Lloyd. Casco, Oudegracht 366, Utrecht. Wo t/m zo 13-17.30u. T/m 2 november.

But you... but you... but you are blinded by reality. Berend Strik, Matthijs Bouw en Joost Meuwissen. Galerie Fons Welters, Bloemstraat 140 Amsterdam.

Een gewoon weilandje, ergens in de polder. Aan de horizon staan wat berken en kastanjes, tussen het oeverloze groen kronkelt een landweggetje. Dit is het domein van de koeien, de schapen en de stilte - de vijf jongens in scoutingoverhemden zijn er dan ook niet op hun gemak. Eentje spiedt, hangend op zijn fiets, wantrouwig de omgeving af, één tuurt er lodderig in de verte; de derde woudloper, beugelfles Grolsch in de hand, onderdrukt met moeite een kotsbeweging. Gezamenlijk zijn deze scouts slechts decor voor de twee jongens links: de ene heeft zijn broek op zijn enkels hangen en kijkt angstig naar de tweede. Die houdt een stok ter grootte van een knuppel voor zijn kruis en dirigeert zijn collega daarmee richting koeienkont. Hij lacht er bulderend bij.

Het schilderij heet Padvinders, het is van de Amsterdamse kunstenaar Ronald Ophuis en is dezer dagen te zien bij De Praktijk in Amsterdam. Het is niet Ophuis' eerste aanstootgevende tafereel. Al eerder maakte hij een schilderij van twee skinheads die iemand in een openbare wc hebben afgeslacht, een doek met drie voetballers die een teamgenoot een literfles Cola in zijn achterwerk rammen, een vrouw die een man in het openbaar aftrekt en een schilderij van drie volwassenen die twee kinderen verkrachten. Dit laatste doek, Sweet Violence, werd een paar weken geleden verwijderd van een tentoonstelling in de Bergkerk in Deventer, na klachten van bezoekers die zich hadden gestoord aan de 'seksuele handelingen met jongeren onder de zestien jaar' die erop te zien zijn. Ophuis nam onmiddellijk een advocaat in de arm en dreigde naar het OM in Zwolle te stappen als de Bergkerk het doek niet terug zou hangen.

Na het relletje rond dit schilderij bleek opnieuw dat aanstootgevende kunstwerken vaak tot een merkwaardig mechanisme aanzetten: nadat het kunstwerk als controversieel is opgemerkt en er een rel is ontstaan wordt de perceptie van het werk volledig door die rel bepaald. Voor sommige mensen is dat reden genoeg om te denken dat het ook een goed kunstwerk is - dat zal wel iets te maken hebben met de romantische gedachte dat kunst die de burgerij weet te shockeren sowieso geslaagd is.

Dat mechanisme zie je ook bij andere kunstwerken die controverse oproepen. Neem de Amerikaan Andres Serrano die het afgelopen jaar met zijn seks- en doodfoto's van rel naar controverse reisde. Zijn laatste wederwaardigheid was de herrie in Melbourne waar zijn Piss Christ eerst door een woedende bezoeker van de muur werd gerukt en een dag later met een hamer werd bewerkt, waarna de National Gallery in Melbourne besloot de tentoonstelling te sluiten - tot woede van de kunstenaar die meteen 'schande' riep, en 'censuur'. Ook Leeuwarden kende zijn eigen censuur-rel: daar nam het gemeentebestuur aanstoot aan de geslachtsdelen op een werk van Bert Boomsma en vroeg de kunstenaar die delen af te dekken - waarna de hele tentoonstelling werd verplaatst naar een andere locatie.

Pleitbezorgers van kunstenaars als Serrano en Ophuis doen graag of zulke kritiek uit de lucht komt vallen. Wat ze daarbij gemakshalve over het hoofd zien is dat het manipuleren en epateren door kunstenaars de afgelopen decennia een strategie is geworden, net zozeer een artistieke beslissing als het gebruik van verf, video of een concept. Het heeft ook al een rijke traditie die van Duchamp en Dalí loopt tot Warhol, Koons, Hirst en Oleg Kulik. Vooral Koons was er een ster in om mensen op de kast te jagen - de manier waarop hij zijn publiek manipuleerde beschouwde hij als een integraal onderdeel van zijn werk.

Dat er de laatste jaren meer belangstelling is voor kunst als die van Ophuis of Serrano komt vooral door de revival die 'de werkelijkheid' in de beeldende kunst doormaakt. Jonge kunstenaars maken graag foto's, video's of installaties over zichzelf, hun omgeving of van wat ze op televisie zien. Dat zie je op een tentoonstelling als Sensation! in Londen, in musea maar ook in galeries. Neem Hillary Lloyd, die bij Casco in Utrecht zes televisieschermen exposeert waarop drie dj's, 'de helden van het hedendaagse leven', worden gevolgd. De een zit in een taxi en staart wat voor zich uit, de ander zien we aan het werk in een club, een derde zoekt stukjes muziek uit op een plaat - realisme pur sang met als enige verschil dat dezelfde handeling urenlang doorgaat. Ook Stephen Shanabrook, naast Ophuis te zien in De Praktijk, laat weinig aan de fantasie over. Zo exposeert hij 33 handschoenen waar hij een schot hagel doorheen heeft gejaagd of, al iets beter, een foto van een lever met een pijl er doorheen - die heet in ieder geval nog Saint Sebastian.

Bij dit 'nieuwe realisme' is alleen weinig nieuws onder de zon. Niet alleen loopt er een directe lijn van het 'nieuwe' realisme naar dat van Millet en Courbet (allemaal pogingen de 'rauwe werkelijkheid' te tonen), ook 150 jaar kunstgeschiedenis en de uitvinding van televisie, film en fotografie worden gemakshalve genegeerd. Om hun eigen werk te rechtvaardigen zouden de 'realisten' dan ook een eigen inbreng moeten hebben, maar zeker Ophuis slaagt daar nauwelijks in: zijn werk is rechtdoorzee realisme van iemand die blijkbaar denkt dat zoiets nog telt. Zijn argument dat hij 'gewoon schildert wat er gebeurt', zoals in de Bergkerk-catalogus, is dan ook niet sterk - wie na de porno van Jeff Koons en Oleg Kulik nog een groepsverkrachting schildert kan weten dat hij een oude koe uit de sloot haalt en laadt daarmee automatisch de verdenking op zich uit te zijn op sensatie.

Dat je ook anders met de 'donkere kant van het leven' kunt omgaan, bewijst Berend Strik bij galerie Fons Welters. Strik, vooral bekend geworden met geborduurde porno-taferelen, heeft voor deze expositie de samenwerking gezocht met de architecten Matthijs Bouw en Joost Meuwisse. Zij houden er opmerkelijke theorieën op na, die op een soort 'muurkrant' bij Welters zijn te lezen. Zo vinden de architecten een van de probleem van de huidige architectuur dat die veel te utopisch is. 'A city depends on a lot of BAD things' schrijven ze, 'such as public things, crime, unsafety, drugs, prostitution, cars, foreigners, handicapped, polution and the homeless. To people, these things are very important. They were always left out from urbanism and its political discourse, though.' In samenwerking met Strik willen Bouw en Meuwissen meer aandacht voor deze negativiteit. En dus hebben ze bij Welters hun werk gecombineerd: de 'negativiteit' - beter woord is 'aardsheid' - van Strik met de maquettes van Bouw en Meuwisse. De voorstellen die ze samen hebben gemaakt zijn half serieus, half pesterig: van een maquette hebben ze de benedenverdieping maar alvast dichtgetimmerd om op de 'negativiteit' te anticiperen, en komt Strik met het idee voor een 'Frühschoppenpaviljoen': 'In een Frühschoppenpaviljoen wordt bier gedronken. Als je bier drinkt moet je ook pissen. Het paviljoen moet ruimte geven aan bier maar ook aan pis. We maakten een verticale scheiding: links het pis en rechts het bier (-).'

De combinatie van 'negativiteit' met architectuur - hoe onzinnig soms ook - blijkt uitstekend te werken. Ook deze werken gaan over de samenleving, maar weten daar een draai aan te geven die zowel humoristisch, verwarrend als confronterend is. Strik, Bouw en Meuwissen zijn geen betere advocaten van de goede zeden dan Ophuis - alleen voegen ze er iets aan toe.