Nederland en de jodenvervolging; Ontmythologiseren als nieuwe mythe

Ido de Haan: Na de ondergang. De herinnering aan de Jodenvervolging in Nederland 1945-1995. Sdu Uitgevers, 292 blz. ƒ 34,90

Sinds 1945 heeft de herinnering aan de oorlog, in het bijzonder aan de jodenvervolging, een muur opgetrokken in de Nederlandse samenleving. Niet alleen onzichtbare maar voor de betrokkenen wel degelijk voelbare muren tussen hen die de oorlog aan den lijve ondervonden hebben en hen die slechts toeschouwer waren. Zelfs tussen de kinderen van hen die het hebben meegemaakt en de kinderen van hen die slechts hebben toegekeken stonden muren. En om het nog gecompliceerder te maken, bleek er ook nog eens een muur te staan tussen de overlevenden - of zij nu joden zijn of oud-verzetsmensen - en hun kinderen.

Het begon al meteen verkeerd, vlak na de oorlog. Toen de vaak zieke en sterk vermagerde overlevenden van de concentratiekampen in Nederland terugkwamen, wachtte hen allerminst een hartelijk onthaal. De schrijfster en schilderes Greet van Amstel beschreef in haar oorlogsherinneringen Verboden te leven hoe zij met een schamel groepje overlevenden uit Auschwitz - na een lange omweg via Rusland, de Middellandse Zee en Frankrijk - op het Centraal Station in Amsterdam aankwam en hoe ouders met een blik op de vuile kleren hun kinderen wegtrokken: 'Pas op! Ze hebben misschien wel luizen!' Ook onderduikers die na de bevrijding tevoorschijn kwamen, werden vaak met wantrouwen bekeken, zeker als zij de 'chotspe' hadden voorzichtig te informeren naar hun bij niet-joden in bewaring gegeven eigendommen. Spreken met niet-betrokkenen over de eigen ervaringen, over het verlies van familie en vrienden, bleek slechts tot teleurstellingen te leiden: of men wilde niet luisteren, of men reageerde met een relaas over de eigen, tamelijk banale, perikelen.

Al snel ontstond er een stilzwijgende afspraak: politici en overheidsdienaren mochten over de oorlog spreken, liefst in bewoordingen die de saamhorigheid bevorderden. En dus werd het 'er-samen-doorheen-gekomen-zijn' benadrukt, de 'geest van verzet' die het Nederlandse volk met opgeheven hoofd de moeilijke jaren had doen doorstaan. Maar in het dagelijks leven hoorde men over de oorlog te zwijgen. Zeker als men niet wist wie men tegenover zich had. Zo ontstonden er eilandjes van vertrouwden met wie men eventueel kon spreken over, of in elk geval op voet van gelijkheid kon refereren aan de oorlog: van joden, voormalige verzetsmensen en later ook diegenen die 'aan de andere kant' hadden gestaan.

Dit gedwongen stilzwijgen duurde voor verzetsmensen voort tot in de jaren zestig. Een deel van hen vond toen aansluiting bij de protestbeweging. Voor joden zou het stilzwijgen tot in de jaren zeventig duren. Vooral de commotie rond het gratieverzoek van de 'Drie van Breda' schiep in dat decennium publieke aandacht voor het voortgaande lijden van de joodse overlevenden.

De historicus Ido de Haan heeft dan ook gelijk als hij in Na de ondergang signaleert dat joden zich na de Tweede Wereldoorlog in een maatschappelijk isolement bevonden. Dat gold echter ook voor oud-verzetsmensen. Dat hij dit tweede verschijnsel niet of nauwelijks opmerkt, heeft in de eerste plaats te maken met de omvang en gecompliceerdheid van zijn onderwerp: de herinnering aan de jodenvervolging. Maar zijn blinde vlek wordt ook veroorzaakt door zijn fixatie op het 'ontmaskeren' van een aantal mythen die volgens hem rond de herinnering aan de jodenvervolging zijn ontstaan.

Verdringing

De eerste 'mythe' is die van de verdringing. Veel historici hebben een golfbeweging in de publieke aandacht voor de Tweede Wereldoorlog en in het bijzonder de jodenvervolging gesignaleerd. In de versimpelde weergave van De Haan komt die erop neer dat de generatie die de oorlog had meegemaakt de herinnering aan de jodenvervolging had verdrongen - waarbij sprake zou zijn van een nationaal trauma - en dat de na de oorlog geboren jongeren, die in de jaren zestig volwassen werden, het generatieconflict met hun ouders vervolgens uitvochten door hen daarmee te confronteren. Pas nadat de jodenvervolging aldus in het voetlicht van de publieke aandacht was geplaatst, zou er een proces van bewustwording en verwerking op gang zijn gekomen.

Doordat De Haan geen onderscheid maakt tussen de herinnering aan de jodenvervolging (en aan het verzet) in de politiek en officiële openbaarheid enerzijds en die in het dagelijks leven anderzijds, kan hij de 'verdringingsthese' eenvoudig ontkrachten door te wijzen op het gebruik van de jodenvervolging als argument in politieke discussies in de jaren vijftig en de veelal ronkende verwijzingen naar 'het' verzet in officiële toespraken rond de vijfde mei. Het is overigens niet helemaal duidelijk hoe zijn afwijzing van de 'verdringingsthese' valt te rijmen met de ook door hem gesignaleerde strijd rond de afschaffing van de vijfde mei als Bevrijdingsdag.

De Haans argumentatie tegen de jaren zestig als omslag in het publieke discours over de herinnering aan de jodenvervolging, is gebaseerd op de stelling dat de veranderingen in die periode al in de jaren vijftig op gang waren gekomen. Maar dat neemt niet weg dat de publicatie van Pressers Ondergang (vier drukken in nog geen twee maanden), de vertoning van De Jongs serie De Bezetting op de televisie en het verschijnen van het eerste deel van zijn Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog wel degelijk in de jaren zestig hebben plaatsgevonden. Het kan dan ook nauwelijks toeval zijn dat bijvoorbeeld het - door De Haan zorgvuldig niet genoemde - studentenprotest in die periode veelvuldig gebruik maakte van krachtige politiek en moreel geladen beelden die waren ontleend aan de jodenvervolging. Een ander voorbeeld van het gebruik van de jodenvervolging - dat door De Haan overigens wel wordt genoemd, maar waar hij zich met een terloopse opmerking vanaf maakt - is het verzet tegen de volkstelling in 1971. In plaats van een zakelijke discussie over het waarborgen van de privacy ontaardde het publieke debat toen door toedoen van de actievoerders al snel in clichés over de jodenvervolging, compleet met gele sterren die als protest gedragen werden. Of dat nu allemaal even zindelijk was, is weer een andere vraag.

Het is een - psychologisch ook volkomen begrijpelijk - feit dat de jongeren die opgroeiden na de oorlog bijzonder goed begrepen hadden dat hun ouders veelal een kwaad geweten hadden over de jodenvervolging. Verwijzingen daarnaar in de met generatieconflicten geladen politieke discussies van de jaren zestig hadden zo het effect van een morele mokerslag.

De Haan heeft gelijk dat het niet alleen maar een generatie-kwestie was: de protestgeneratie werd van harte gesteund door een deel van het voormalige verzet (vaak communisten) dat in de jongeren het gehoor vond dat het na de oorlog had moeten ontberen. De Haan heeft het ook bij het rechte eind als hij vaststelt dat de rode draad in de herinnering aan de jodenvervolging was dat joden zelf - met uitzondering van de historici Presser en De Jong en het historische werk van Abel Herzberg - hierin nauwelijks of geen stem hadden. Hun lijden werd - zeker tot de helft van de jaren zeventig - vooral gebruikt voor het uitvechten van politieke en generatieconflicten. In de discussie rond de vrijlating van de oorlogsmisdadiger Willy Lages (1966), werd de joodse gemeenschap nauwelijks gehoord. Pas in 1972 speelden bij de parlementaire bespreking van de voorgenomen vrijlating van de 'Drie van Breda' voor het eerst argumenten een rol die wel direct betrekking hadden op het onrecht dat de joden was aangedaan en weer zou worden aangedaan bij eventuele gratiëring. Maar het is onjuist om te stellen - zoals De Haan doet - dat uitsluitend door psychiaters naar voren gebrachte argumenten de doorslag gaven. Van doorslaggevend belang in de publieke en parlementaire discussie was niet het persoonlijke lijden zelf maar het maatschappelijk onrecht dat een groep, die al zo veel had moeten doorstaan, door gratie opnieuw zou moeten lijden.

Psychiatrie

De Haans centrale these, dat het toegenomen aanzien van de joodse overlevenden in de jaren zeventig en tachtig te 'danken' was aan de sterke invloed van de psychiatrie, is dan ook twijfelachtig. Als De Haan wat meer aandacht had geschonken aan ontwikkelingen binnen de joodse gemeenschap zelf in die periode, was hij mogelijk tot andere conclusies gekomen. Het lijkt aannemelijk dat bijvoorbeeld de overwinning in de strijd om een aparte regeling voor joodse vervolgingsslachtoffers (met als resultaat de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers) heeft geleid tot een sterker zelfbewustzijn en een vermindering van het gevoel van isolement van de joodse gemeenschap na de oorlog. Het feit dat die erkenning door henzelf was bevochten, heeft onmiskenbaar een positief gevolg gehad voor het zelfbeeld en het functioneren van de joodse gemeenschap. Daardoor werd het mogelijk dat in de loop van de jaren zeventig en tachtig de opgroeiende na-oorlogse generatie joden een aanzienlijke rol ging spelen, zowel intern door het ontplooien van een groot aantal culturele en religieuze initiatieven, als extern door een groeiend activisme (denk aan het protest tegen de vertoning van Fassbinders Het vuil, de stad en de dood). Het tegendeel van een passieve en geïsoleerde groep in de maatschappij. De na-oorlogse generatie joden heeft bovendien een grote en belangrijke literaire productie opgeleverd, onder andere Mendel's erfenis van Marcel Möring, vrijwel het gehele oeuvre van Leon de Winter en Blauwe maandagen van Arnon Grunberg.

Vreemd genoeg ontbreekt juist deze verwerking in de Nederlandse literatuur vrijwel geheel in de studie van De Haan. De literatuur komt er zelfs in zijn geheel bekaaid af, hoewel het (naast de genoemde werken van Herzberg, Presser en De Jong) toch boeken als Het bittere kruid (Marga Minco) en De ondergang van de familie Boslowitz (Gerard Reve) zijn geweest die een belangrijke rol hebben gespeeld in de beeldvorming over de Tweede Wereldoorlog en in het bijzonder de jodenvervolging.

Inconsistent

De Haan heeft in Na de ondergang kennelijk een te groot aantal onderwerpen en aspecten van de herinnering aan de jodenvervolging willen bespreken. Dat nu wreekt zich omdat De Haan tegelijkertijd een consistent interpretatiekader mist. Het ontbreekt hem niet alleen aan een werkelijke visie op de naoorlogse periode, maar ook aan inlevingsvermogen in zijn onderwerp.

Enormiteiten zijn het resulaat. Zo verbaast De Haan zich erover dat het Nederlandse publiek 'nog steeds' een 'beoordelingsschema' hanteert met een duidelijk onderscheid tussen 'medewerking en verzet', hoewel de 'professionaliteit' van de huidige generatie historiografen (die hij in dit opzicht impliciet contrasteert met Presser en De Jong) toch een immens grijs gebied heeft blootgelegd. Maar door zich zo eenzijdig op het grijs te fixeren, negeert De Haan dat deze kleur alleen maar kan bestaan bij de gratie van zwart en wit.

Dat komt misschien omdat hij zijn afstandelijkheid tot het onderwerp geforceerd wil benadrukken. In zijn inleiding schrijft hij: 'Ook degenen die na die tijd geboren zijn, kennen verhalen en beelden uit die tijd, die soms nog indringender zijn dan wat directe getuigen hebben ervaren'. Bedoelt De Haan dat het lezen van de boeken van Primo Levi een aangrijpender ervaring is dan het bestaan in Auschwitz voor Prima Levi zelf was?

Vermoedelijk. Deze interpretatie is in ieder geval in overeenstemming met zijn ambivalente, meestal negatieve waardering, van primaire getuigenissen en ooggetuige-verslagen. In deze context verbaast het niet dat De Haan zijn onderwerp te lijf gaat met modieuze ideeën als het 'ontmythologiseren' van de jaren zestig en het aanvallen van de 'psychiatrisering' van Nederland in de jaren zeventig: soms misschien nuttig, maar niet altijd relevant in een studie als deze.

De Haan plaatst zich in de 'school' van Hans Blom (sinds kort directeur van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie), die in navolging van de Duitse historicus Broszat pleit voor een 'normalisering' van de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog. Maar zijn poging tot 'normale' geschiedschrijving over een abnormaal onderwerp overtuigt niet, omdat De Haan geen reliëf heeft willen geven aan de sporen die de oorlogsherinneringen in het na-oorlogse Nederland hebben getrokken.