Misverstand Vietnam

Robert D. Schulzinger: A Time for War. The United States and Vietnam, 1941-1975. Oxford University Press, 397 blz. ƒ 79,95

De red scare, de angst voor het wereldcommunisme, was de enige drijfveer achter de Amerikaanse betrokkenheid bij de burgeroorlogen in Indo-China van de jaren veertig, vijftig, zestig en zeventig. De Franse kolonie bestaande uit Vietnam, Laos en Cambodja had de Verenigde Staten niets te bieden: strategisch was zij van geen belang, gedurende de Tweede Wereldoorlog hadden de Amerikanen het gebied bewust buiten hun opmars naar Japan gehouden. Het Franse koloniale systeem, dat met nazi's en Japanners had gecollaboreerd, was in Amerikaanse ogen een anachronisme waaraan zo snel mogelijk een einde moest komen. Ho Tsji Minh, de leider van de Vietnamese opstand tegen de Japans-Franse bezettingsmacht, mocht dan ook aanvankelijk op Amerikaanse steun rekenen.

De ommekeer kwam in de late jaren veertig. De inlijving van Oost-Europa door de Sovjet-Unie, Mao's zege in China en de communistische overval op Zuid-Korea, scherpten de Amerikanen in hun overtuiging dat de Franse positie in Indo-China aan herwaardering toe was. De Vietnamese opstandelingen werden nu gezien als voorhoede van een communistische machtsovername in Azië. De dominotheorie was geboren. Als de eerste steen, Vietnam, omviel zou de rest vanzelf volgen. Zelfs Japan en India waren niet langer veilig.

A Time for War is een historisch verantwoorde poging het verhaal nog eens van het eerste begin tot het bittere einde te vertellen. De auteur verschaft geen nieuwe inzichten, laat staan grensverleggende onthullingen, maar wel een zo objectief mogelijke analyse van een periode die het Amerikaanse volk verdeelde zoals sinds de burgeroorlog niet meer was gebeurd. De Amerikaanse interventie in Indo-China plaatste historische vraagtekens bij vier opeenvolgende presidentschappen en maakte een voortijdig einde aan drie van de vier. Inflatie, gevolg van een uit de hand gelopen federaal budget, leidde tot een langdurige economische malaise.

Amerika's concentratie op Vietnam ontnam het lange tijd de mogelijkheid om met de beide andere supermogendheden, de Sovjet-Unie en China, tot een modus vivendi te komen. De wereldbedreigende crisis over Cuba en die over de Israelische omsingeling van een Egyptische strijdmacht in de Sinaï aan het eind van de Oktoberoorlog waren een rechtstreeks gevolg. Weliswaar hadden president Nixon en zijn veiligheidsadviseur Kissinger in 1972 in Peking en in Moskou openingen geforceerd, maar Amerika was daarbij zozeer de vragende partij geweest dat het Kremlin een jaar later in het Midden-Oosten wel weer een gok durfde wagen - evenals elf jaar eerder op Cuba.

Volgens de Amerikaanse overlevering speelde de moord op president Kennedy, in november 1963, een cruciale rol: Kennedy zou de escalatie van de oorlog, die in het jaar na zijn dood begon en honderdduizenden Amerikanen naar de slagvelden voerde, hebben weten te vermijden. Schulzinger neemt die gedachtegang niet over. Over de kans dat Kennedy anders zou hebben beslist zegt hij: 'Het gemakkelijkste antwoord is: we kunnen dat niet weten; de geschiedenis heeft slechts één loop. Het complexere antwoord is: waarschijnlijk niet. (...) Gegeven de binding van de (Amerikaanse) leiders aan de beginselen van containment (het afgrendelen van de communistische expansie, JHS), is het moeilijk te geloven dat de Verenigde Staten niet bij Vietnam zouden zijn betrokken zoals zij waren, ten minste tot 1968.'

Amerika kwam sterker uit de oorlog tevoorschijn dan velen hadden verwacht, meent Schulzinger. De nederlaag en de verdeeldheid leidden niet tot een dolkstootlegende, zoals in de Weimar Republiek na de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog. Dat mannen als Dan Quayle en Bill Clinton, die beiden in de Vietnam-tijd de dienstplicht ontweken, het tot vice-president en president konden brengen, behoort volgens de auteur tot de ironie van deze droevige geschiedenis. Een verklaring voor het feit dat Amerika uiteindelijk, anders dan het Duitsland van de jaren twintig en dertig, zichzelf terugvond, geeft dit boek niet. Het eindigt met de hoopvolle constatering dat Amerika door de ervaring in Vietnam een beter land is geworden.