'Louvre moet minder vermoeiend worden'

In het Louvre in Parijs is vorige week opnieuw een gerenoveerde vleugel opengesteld. Daarmee is de grootscheepse restauratie van het museum 'ver gevorderd', aldus president-directeur Pierre Rosenberg. In het Grand Palais in Parijs organiseerde Rosenberg ondertussen een overzicht van Georges de la Tour, de Franse meester van het 'subtiele spel van licht en schaduw'.

PARIJS, 17 OKT. Pierre Rosenberg, met de onafscheidelijke rode sjaal over een schouder, praat graag en enthousiast over 'zijn' museum, het Louvre, dat 8 oktober weer een gerestaureerde vleugel heeft opengesteld. “Eerst verweet men ons jaren dat we te veel in de kelders verstopten. Nu laten we steeds meer zien wat we bezitten, en nu is er weer kritiek: het Louvre wordt te groot?”

De president-directeur van Frankrijks monumentale eerste museum beaamt het, maar voegt er aan toe: “Het Louvre was chaotisch, er was geen enkele ruimte om je even te ontspannen, er waren geen wc's, geen garderobe, geen winkel, geen restaurant. Nu we die hebben is het geheel misschien moeilijker te besturen, maar het moest gebeuren. Mensen komen hier vaak maar één keer in hun leven. Wij willen graag dat zij terugkomen. Nu de grootscheepse restauratie ver gevorderd is, kun je vaststellen dat de hele ambiance in en om het Louvre excellent is. Dat moet ook, museum-kijken is vermoeiend, men komt hier gemiddeld drie uur en tien minuten. Dan is het op. Het Louvre moet minder vermoeiend worden, meer een plaats voor ontspanning.”

De inspanningen die Frankrijk zich daarvoor heeft getroost sinds president Mitterrand het Project 'Grand Louvre' op gang zette hebben intussen hun vruchten al afgeworpen. De piramide van de Amerikaanse architect Pei (1989) heeft het museum toegankelijker en het binnenplein overzichtelijker gemaakt, de tuinen zijn opnieuw ingericht, het ondergronds winkelgebied Carroussel du Louvre betaalde de parkeergarage voor bussen en auto's die de omgeving van het Louvre ernstig verstoorden.

Daarnaast zijn steeds weer andere vleugels compleet nieuw ingericht, zoals de Richelieu-vleugel in 1993. De meest recente uitbreiding is de Sackler Galerie, waar kunst uit de oosterse antieke tijd is te vinden. Midden december zijn 10.000 vierkante meter Egyptische kunst opnieuw ingericht. Volgend jaar volgt een tweede ingang aan de kant van de Seine; dat zou de dagelijkse rijen voor de piramide kunnen bekorten.

Rosenberg geeft volmondig toe dat het risico bestaat dat het Louvre een spektakel-plaats wordt. Het enige antwoord is serieus blijven en de bestaande collecties zo goed en modern mogelijk beheren en tonen. En proberen niet alles te doen. De wens van president Chirac bijvoorbeeld om ook in het Louvre een belangrijke afdeling met de door hem zo geliefde primitieve kunst ('arts premiers' is als aanduiding weer uit de mode) in te richten, is wat op afstand gehouden. Diplomatiek formuleert Rosenberg: “Als de tijdelijke installatie hier van 1400 m met Afrikaanse, pre-colombiaanse- en kunst uit Oceanië er toe leidt dat elders een nieuw, aan die kunst gewijd museum tot stand komt, dan hebben wij ons werk goed gedaan.”

Voor wie doet Frankrijk het allemaal? Voor 60 procent voor buitenlanders. Het Louvre wil wel dat meer Fransen de tocht naar de Rue de Rivoli maken, maar voorlopig blijft de meerderheid toerist. Is dat geen aanleiding voor het Louvre ook de bewegwijzering en de bordjes naast de kunstwerken in meer dan alleen Frans uit te voeren? Rosenberg met zijn twinkelende blik op scherp: “Volgens de taalwet-Toubon moet alles in het Frans of in minstens drie talen worden aangegeven. In Nederland zijn alle bordjes in het Nederlands, is mij opgevallen, een erg praktische taal. Ons drukwerk is al in zeven of acht talen. De vraag is nu: welke taal naast Frans en Engels? De conservatoren willen Duits, daar hebben zij het meest mee te maken. De praktische mensen, suppoosten, kassa, de arts willen Spaans. Daar moeten we dus tussen kiezen. Dat zal wel gebeuren.”

Als voormalig conservator schilderkunst die vooral de zeventiende-eeuwse Franse en Italiaanse kunst 'deed', heeft Rosenberg een levendige belangstelling voor het aankoopbeleid. “Een museum dat niet meer aankoopt sterft,” zegt hij zonder aarzelen. Het Louvre kan, samen met alle andere Franse rijksmusea, voorstellen indienen waar centraal over wordt beslist door een commissie van deskundigen en buitenstaanders. “Dat systeem werkt goed, met één bezwaar: er is niet genoeg geld.” Ook al mag het Louvre 45 procent van de opbrengst aan toegangsgelden houden voor aankoopbeleid, Rosenberg ziet alleen in het Britse loterij-systeem voor kunst en cultuur een afdoende en dringend noodzakelijke oplossing.

Intussen heeft hij als curator gerecidiveerd door de nieuwe grote tentoonstelling in het Grand Palais te organiseren. Rosenberg krijgt al gelijk met zijn verwachting dat Georges de la Tour (net als hiervoor in Washington) een publiekstrekker wordt. De drie eeuwen vergeten schilder uit Lotharingen (1593-1652) werd begin deze eeuw door de Duitse kunsthistoricus Voss herontdekt. Sinsdien is meer over de in zijn tijd gevierde schilder bekend geworden. Van de mysterieuze meester van intiem licht en donker zijn nu 45 schilderijen bijeen, vrijwel zijn hele bekende oeuvre.

Rosenberg klasseert La Tour, met zijn portretten van engelen en deugnieten “een groot kunstenaar”, lager dan Caravaggio en Vermeer (“ontdekt door een Fransman”). Hij noemt de Delftse schilder “kleiner dan Caravaggio, een immens artist, maar geen Rembrandt.” La Tour is niettemin “van een extreme virtuositeit. Je ziet bij hem geen sporen van het penseel. Hij wilde alle aandacht voor het schilderij. Dat is het bewijs dat het om een groot kunstenaar gaat.”