La Tour was de meester van het clair-obscur

In het Louvre in Parijs is vorige week opnieuw een gerenoveerde vleugel opengesteld. Daarmee is de grootscheepse restauratie van het museum 'ver gevorderd', aldus president-directeur Pierre Rosenberg. In het Grand Palais in Parijs organiseerde Rosenberg ondertussen een overzicht van Georges de la Tour, de Franse meester van het 'subtiele spel van licht en schaduw'.

Tentoonstelling: Georges de La Tour, Galeries Nationales du Grand Palais, Parijs. T/m 26/1. Dag. 10-20 uur; woe. 10-22 uur; di. gesloten. Van 10-13 uur is reservering noodzakelijk (tel. 00 33 1 49875454). Catalogus 320 blz. FF 290,00.

PARIJS, 17 OKT. Georges de la Tour (1593-1652) is vooral bekend om zijn schilderijen van nachtelijke taferelen, slechts belicht door een enkele kaars of fakkel. Een beroemd voorbeeld daarvan is de Maria Magdalena uit het Louvre in Parijs. Maar de trouwe Louvre-bezoeker die denkt daarmee een uitmuntend voorbeeld te kennen van La Tours briljante kleurgebruik en clair-obscur, heeft het mis: de expositie die het Grand Palais wijdt aan de schilder, bewijst dat het nog beter kan.

Het werk uit het Louvre is daar op één wand opgehangen temidden van nog drie varianten op het Magdalena-thema. Die drie schilderijen, afkomstig uit Amerikaanse collecties, zijn de gemiddelde Europeaan veel minder vertrouwd dan het Parijse werk. Vergeleken met hun gloeiende kleurgebruik en lichtwerking lijken de kleuren van de Louvre-Magdalena plotseling dof en de lichtval minder dramatisch. Alleen al de mogelijkheid zulke vergelijkingen te maken, rechtvaardigt de tentoonstelling, die geen andere ambitie heeft dan het reconstrueren van het oeuvre van Georges de la Tour.

Lang was van La Tour niet meer bekend dan zijn naam. Achttiende- en negentiende-eeuwse kunstkenners wisten uit schriftelijke bronnen dat hij in de eerste helft van de zeventiende eeuw een bijzonder succesvol schilder was, maar werken van zijn hand waren onbekend. Dat veranderde pas in 1915, toen Hermann Voss twee schilderijen publiceerde waarop hij de signatuur van de raadselachtige kunstenaar had ontdekt. Sinds deze kunsthistorische reanimatie heeft La Tour steeds meer reliëf gekregen.

Archiefonderzoek bracht aan het licht dat hij in 1593 als bakkerszoon is geboren in Vic-sur-Seille (Lotharingen). Die nederige afkomst heeft hij in de loop van zijn carrière ver achter zich gelaten, want in een document uit 1639 wordt La Tour vermeld als peintre ordinaire du roi. De hoge kwaliteit van de schilderijen van La Tour die sinds 1915 zijn herontdekt, bevestigt de reputatie van de schilder. Na de meest recente ontdekking in 1993, zijn er nu 43 schilderijen van La Tour bekend. Op één na zijn ze allemaal te zien in de tentoonstelling. De nachtscènes met bijbelse episoden of heiligen overheersen. De Verschijning van de engel aan Jozef bijvoorbeeld, toont de slapende heilige die wordt bezocht door een gracieus gebarende engel. Tussen hen in staat een kaars die, zoals vaak bij La Tour, maar gedeeltelijk zichtbaar is: de vlam wordt afgeschermd door de arm van de engel. Daardoor ontstaat een intieme scène met een ongelooflijk subtiel spel van licht en schaduw. Steeds weer blijkt La Tour inventieve oplossingen te vinden voor een vergelijkbaar lichteffect, dat in handen van een minder begaafd schilder al snel een smakeloos trucje zou worden.

Dat blijkt wel uit kopieën naar La Tours werken die in de expositie zijn opgenomen om iets te laten zien van de invloed van La Tour en om een idee te geven van composities waarvan het origineel onvindbaar is. Het verschil in kwaliteit tussen het werk van de meester en zijn navolgers wordt soms pijnlijk duidelijk. De maar liefst acht zeer matige kopieën naar een compositie van de Heilige Sebastiaan verzorgd door Irene, verraden maar weinig van de hoge waardering die koning Lodewijk XIII voor het nu verdwenen origineel moet hebben gekoesterd.

Van een heel andere orde dan de contrastrijke nocturnes, is een groep minder bekende, vroege werken van Georges de La Tour. Het zijn heldere composities, met prachtig gedetailleerde en door zacht licht beschenen figuren. In een ervan staat een modieus geklede jongeman centraal die zich de toekomst laat voorspellen door een oude waarzegster. Hij merkt niet dat intussen een jonge vrouw zijn beurs rolt en een ander een medaillon van zijn lange halsketting afknipt. Ook in een, wat stijl en thematiek betreft vergelijkbaar, schilderij wordt iemand bedonderd: een ontroerend onschuldig uitziende jongen zit aan een tafel geconcentreerd te kaarten, terwijl zijn speelgenoten hem bedriegen met een aas die een van hen achter zijn rug verbergt.

Bij deze hoogtepunten in de tentoonstelling zijn twee thematisch vergelijkbare schilderijen van de Italiaan Caravaggio (1572-1610) opgehangen. Het is veelzeggend dat de enige werken in de expositie van een andere schilder dan La Tour of diens navolgers, van Caravaggio zijn. Ook vanwege de sterke licht-donker contrasten in La Tours nachtscènes wordt Caravaggio vaak als zijn voorbeeld opgevoerd. Maar de steeds weer gestelde vraag of La Tour als caravaggist moet worden beschouwd, blijft onbeantwoord. In de catalogus spreken verschillende auteurs elkaar wat dat betreft zelfs tegen.

De meest plausibele veronderstelling is die van Jean-Pierre Cuzin. Hij sluit niet uit dat La Tour, zoals veel van zijn tijd- en landgenoten, naar Italië is gereisd, maar voor de ontwikkeling van zijn stijl acht hij de invloed van Caravaggio en diens Italiaanse navolgers niet noodzakelijk. Veel waarschijnlijker is dat La Tour heeft geleerd van de stijl en thematiek van zestiende-eeuwse schilders uit de Nederlanden, zoals Marinus van Reymerswaele en Jan Cornelisz. Vermeyen. Meer dan Caravaggio als voorbeeld voor La Tour te beschouwen, wijst die conclusie op de noodzaak de bronnen van de Italiaan te herzien.