Kwesukasukela! Het begin is begonnen; Schrijfster Riana Scheepers over de Zoeloe-vertelkunst

“De omweg, het vertellen in cirkels, de kern ongezegd laten, dat is in feite wat mijn zwarte oma ook deed,” zegt de blanke, Afrikaanse schrijfster Riana Scheepers over de de manier waarop ze haar romans en verhalen schrijft. “Van mijnzwarte oma heb ik het vertellen geleerd.”

Vertalingen van het werk van Riana Scheepers worden uitgegeven door Prometheus. 'Dulle Griet' bevat een keuze uit de bundels 'Die ding in die vuur' en 'Dulle Griet'. 'Een huis met drie en een half stories' werd vertaald als 'Onbevlekte ontvangenis', de roman 'Die heidendogters jubel' als 'De heidendochters juichen.' Vorig jaar verscheen 'Die ding in die vuur, de beste verhalen', een bundeling van 'Dulle Griet' en 'Onbevlekte ontvangenis.'

“Kwesukasukela!” “Cosu! Cosu! Soyipheka ngogozwana!” Zo begint het eeuwenoude ritueel van verhalen vertellen in KwaZulu, het voormalige thuisland van de Zoeloes, tegenwoordig deel van de provincie KwaZulu-Natal.

Zo opent ook de eerste verhalenbundel Die ding in die vuur van schrijfster Riana Scheepers (1957) die opgroeide in Zoeloeland. Het is een hommage aan haar 'zwarte oma' die haar het vertellen leerde.

De zwarte oma was de oudste zwarte vrouw op de plaas, de boerderij van de familie Scheepers. Het was een 'bestaansboerderij', een volledig zelfvoorzienende gemeenschap waarin blank en zwart, boeren en landarbeiders bij elkaar woonden. “We leefden in een ontzettend geïsoleerd gebied,” vertelt Scheepers. “De volgende plaas lag zo'n twintig, dertig kilometer verderop, het volgende dorp zestig. We waren volledig op elkaar aangewezen.

Apartheid kon men zich bij ons niet veroorloven. Alle mannen, blank en zwart, zaten op zondag aan een grote tafel. En ze spraken Zoeloe, de taal van de swartman, geen Afrikaans of Engels. In deze streek heeft de blanke de taal van de zwarte overgenomen. Zoeloe was mijn tweede taal.''

“KwaZulu-Natal is totaal anders dan de rest van Zuid-Afrika. Ondanks het feit dat Buthelezi hier regeert als leider van de Inkatha Vrijheidspartij is Zoeloekoning Zwelithini volgens tradities de baas. Zo werd dat bij ons thuis vroeger ook gevoeld, en nog steeds. Mijn ouders hebben bij de eerste verkiezingen Inkatha gestemd! En ze beschouwen zich, net als mijn broers en zussen, als onderdanen van Zwelithini. De koning is zelfs een klant van mijn vader.” De familie Scheepers boert al een aantal generaties in Zoeloeland.

“Maar mijn grootvader was een slechte boer, hij zag zichzelf als een profeet van God en besteedde vooral tijd aan het verkondigen van het geloof aan de barbaren. Dat klinkt negatief maar hij was in feite een groot idealist. Hij richtte een plaasschool op voor de kinderen van de zwarte arbeiders in de omgeving en zou, naar verluidt, wonderen hebben verricht. Hij was een charismatische predikant die het geloof van de swartman in het bovennatuurlijke integreerde in zijn eigen oud-testamentische geloof. Hij predikte in het Zoeloe, zijn bijbel was in het Zoeloe, hij sprak zelfs beter Zoeloe dan Afrikaans. En hij respecteerde de tradities.”

Een van die tradities hield in dat men de oudste vrouw in de gemeenschap, de ugogo, de hoogste vorm van respect betuigt. “Het is haar taak de herinnering aan de voorouders levend te houden en de stamverhalen over te leveren aan de kinderen,” zegt Scheepers. “'s Avonds na het eten kwamen alle zwarte en blanke kinderen bij elkaar in de hut van de zwarte oma. Het was een grashut en het rook er heerlijk. We zaten rond het vuur op zachte karossen, dekens van dierenvellen, en we wachtten tot de ugogo klaar was met eten. De vertelling was gebonden aan voorwaarden van tijd en plaats en verliep volgens een vast ritueel. Ze moest rond het vuur plaatsvinden en na zonsondergang. Als je overdag naar een verhaal luisterde zouden er horens aan je hoofd groeien. Dat was een efficiënt middel om, in westerse terminologie vertaald, het verhaal binnen een strikt fictioneel kader te plaatsen.'

Eenmanscabaret

“De zwarte oma zegt op een bepaald moment: 'Kwesukasukela! Het begin is begonnen!', en wij antwoorden: 'Cosu, cosu! Oma, we luisteren, we eten je woorden!' Dat was het aanvangsritueel. En dan volgde een uniek eenmanscabaret. Ze speelde verschillende personages met bijpassende mimiek en stem, zong, danste, brulde als een leeuw en kroop over de grond als een slang. Het waren spannende, wrede vertellingen en we leefden heel actief mee, we sprongen op, schreeuwden, stelden vragen. En dan op het eind zegt ze: 'Iyaphela! Het is afgelopen!', en ze spuugt in het vuur. Dat is de manifestatie van de woorden die verbrand worden. Vanaf het moment dat de oma in het vuur heeft gespuugd, reageert ze op geen enkele vraag meer. Ze verstart en legt als het ware haar maskers af. Alsof je een boek dichtslaat. Als kinderen begrepen we daardoor dat het sprookjes waren, geen echte verhalen. Daarna konden we rustig gaan slapen.” Dat haar jeugd in Zoeloeland een writer's goldmine was besefte Riana Scheepers pas toen ze er na jaren afwezigheid opnieuw ging wonen.

Ze was gaan studeren in Bloemfontein - Afrikaans en Nederlands -, was daar getrouwd en had twee kinderen gekregen. Toen haar huwelijk spaak liep keerde ze met haar kinderen terug naar huis. “Ik was 31 jaar, zat zonder geld en had de verantwoordelijkheid voor twee kinderen. Ik kon aan de Universiteit van Zoeloeland lesgeven en greep die kans aan. Ik begon eigenlijk te schrijven vanuit een sluimerend gevoel van wraak, ik wilde laten zien dat ik iets in mijn mars had. Ik was al eerder met schrijven begonnen, maar het was niet goed, ik was nog te jong. Pas toen ik terug kwam in KwaZulu-Natal was ik zo volwassen dat ik kon beseffen: lieve aarde, wat een rijkdom aan verhalen ligt hier!” In 1990 verscheen Die ding in die vuur, haar debuut. “Dat boek ligt me nog steeds na aan het hart. Er zit een stuk rauwe emotie in. Daarna heb ik nooit meer geschreven met zo'n drift, zo'n ongedwongenheid en met zo'n naïviteit. En, moet ik zeggen, met zo'n vrees. Want tijdens het ontstaan van het boek was in Natal de noodtoestand afgekondigd en ik was bevreesd voor het leven van mijn twee zoontjes. Op de universiteit had kort daarvoor een slachting plaatsgevonden door Zoeloekrijgers op vermeende verraders, zwart en blank. De toestand was zeer explosief.”

Helaas is Die ding in die vuur nooit integraal in het Nederlands vertaald. Uitgeverij Prometheus vond sommige verhalen waarschijnlijk te locaal, te zeer verwijzen naar de Zuid-Afrikaanse politieke situatie om door Nederlandse lezers begrepen te kunnen worden. Toch is dat een belangrijk verlies, omdat juist die verhalen de spanning laten zien tussen de Westerse en de Afrikaanse vertelkunst, en tussen blank en zwart leven op het Zuid-Afrikaanse platteland. Tussen beide ligt volgens Scheepers een grote kloof. “Ik wilde een verhaal maken over de gruwelijke slachting op de universiteit, maar ik kon dat onmogelijk doen in een rechttoe-rechtaan vertelling. Ik besefte: uiteindelijk is het niet mijn verhaal. Ja, ik leef hier, mijn voorouders leefden hier en ik spreek Zoeloe, maar uiteindelijk ben ik niet werkelijk deel van zwart Afrika.

Daarom heb ik het op een afstandelijke, postmodernistische manier geschreven. Het bestaat uit een anekdote, een kinderverhaal, een krantenbericht en een gesprek. Samen vormen ze het ware verhaal, maar je moet het zelf reconstrueren.''

Potje vaseline

Achteraf gezien bleek die vertelwijze erg Afrikaans. “De omweg, het vertellen in cirkels, de kern ongezegd laten, dat is in feite wat mijn zwarte oma ook deed.” In de afstand die Scheepers als verteller bewaart ten opzichte van haar zwarte, meestal vrouwelijke, personages, ligt paradoxaal genoeg de kracht van haar debuut. Ze volgt nauwgezet hun doen en laten zonder dat ze de pretentie heeft hen van binnenuit te kennen. Dat levert gave, bijna filmische portretten op. In 'Ruil' komen twee zwarte vrouwen de winkel van een Schotse immigrant binnen. Ze dragen aarden potten op het hoofd en willen met de winkelier een ruil maken: hun eieren en maïskolven tegen zijn suiker en zeep. Een van de twee vrouwen heeft haar oog laten vallen op een potje vaseline, maar haar ruilwaar is op. De winkelier loopt met het potje naar het kantoortje achter de winkel. De vrouw weet wat dit betekent en laat zich daar op de vloer nemen. Vervolgens staat ze op, neemt het potje vaseline en stopt het tussen de andere dingen in de aarden pot. Ze zet de pot weer op haar hoofd, grist in de winkel nog wat snoep uit een stopfles en vertrekt. De laatste zin luidt: 'Haar nek en schouders tonen de trots en de houding van een vrouw die weet dat ze haar winkeltocht tot een goed einde heeft gebracht.' Het zijn mooie, trotse overlevers, Scheepers' zwarte vrouwen, maar net als haar zwarte oma schuwt de schrijfster de wrede kant van hun bestaan niet.

In 'Stomme koe' verhaalt ze van een studente die bij een kliniekje werkt en op een dag getuige is van de gevolgen van een rituele besnijdenis.

'Het meisje ligt daar met haar naakte onderlichaam, de knieën gezwollen en opengesperd (-) het schaamdeel tussen haar benen een onherkenbare brij van etter, korsten en haren en tot barstens toe gezwollen kwabben vlees.' Scheepers: “Ik heb dat zelf gezien. Bij ons op de boerderij vroeger. Het is afschuwelijk. En het schokkendste was dat de hele gemeenschap er nauwelijks van opkeek. Het werd gezien als een normaal deel van het leven.

In de hiërarchie van het menszijn staat de zwarte vrouw in KwaZulu sowieso onderaan de ladder. Zij is niet alleen benadeeld door het apartheidssysteem, maar ook door de eigen culturele wetten. Als ze onvruchtbaar is wordt ze verstoten, ze moet gehoorzamen aan haar schoonouders, ze wordt besneden en vrijwel dichtgenaaid opdat ze kuis blijft tot het huwelijk, ze mag uit respect voor haar man zijn naam niet noemen, en ga zo maar door. Pas als je oud bent, kinderen en kleinkinderen hebt, ben je een gerespecteerde vrouw. En ondanks alles stralen die vrouwen een enorme energie uit, een geweldige levensdrift. Ze zijn voor mij een voorbeeld geweest voor mijn eigen overleving.'' Inmiddels is Scheepers om amoureuze en om economische redenen ('de beroepsmogelijkheden zijn daar beperkt en ik heb twee zoons groot te brengen') alweer een paar jaar weg uit KwaZulu-Natal. Ze werkt nu bij een literaire uitgeverij in Kaapstad en woont aan de voet van de Tafelberg.

De berg en de zee verzachten het heimwee naar het geile (vruchtbare)landschap van Zoeloeland, zegt ze. “In Johannesburg zou ik niet kunnen leven.”Die ding in die vuur kreeg jubelende recensies en werd bekroond met twee prijzen. Een jaar later volgde een tweede verhalenbundel, Dulle Griet, en weer drie jaar later een derde, 'n Huis met drie en 'n half stories. Beide bundels werden opnieuw juichend besproken, deels tot haar eigen verwondering, want ze bevatten - voor calvinistische Afrikaner begrippen - een aantal opmerkelijke erotische vertellingen. “Ik besefte het niet toen ik ze schreef, maar mijn verhalen vielen samen met de bevrijding van Zuid-Afrika. In 1990 had De Klerk zijn beroemde toespraak gehouden waarin hij het ANC legaliseerde en de vrijlating van Mandela aankondigde, en in datzelfde jaar verscheen mijn eerste boek. Onder het minder verkrampte deel van de Afrikaners bestond een geweldige behoefte aan openheid, na al de jaren van censuur. Mijn verhalen zijn op het perfecte tijdstip verschenen, vijf jaar eerder zouden ze zijn gecensureerd, vijf jaar later zouden ze minder opzienbarend zijn geweest.” Een van die opzienbarende vertellingen was 'De geur van een vader'. Het gaat over een jong meisje dat na de dood van haar vader over hem fantaseert wanneer ze 's avonds in bed ligt. Naarmate ze ouder wordt, worden de fantasieën seksueler. Wanneer ze als volwassen vrouw echte minnaars krijgt, kunnen die niet op tegen de sensualiteit van haar verzonnen vader-minnaar. “De meeste mensen begrepen gelukkig de context. Ze snapten dat het in wezen niets met incest te maken heeft, maar dat het gaat om de verwerking van een groot verlies. Ontroerend, broos, teder, waren reacties die ik kreeg. Maarik ontving ook anonieme scheldbrieven. Een lezer had het verhaal uit het boek gescheurd, in een envelop gestopt en aan mij gezonden met het opschrift: 'Walgelijk!' ” Een ander erotisch verhaal, 'Elixer', waarin het zaad van een man een genezende werking blijkt te hebben, schreef Scheepers uit opstandigheid.

“Ik ergerde me aan de erotische literatuur in het Afrikaans. Zo grof en expliciet, en met zo weinig speelsheid en sensualiteit. Als een reactie daarop wilde ik een verhaal schrijven dat niets met seks als zodanig temaken had, niets met penetreren en met driftig bewegende geslachtsorganen.”

Afrikaner meisjes

Ook haar eerste roman, Die heidendogters jubel (vertaald als De heidendochters juichen) begon Scheepers uit opstandigheid en onvrede. Het is het verhaal van Nina, een jonge studente die zich deels uit onwetendheid en deels uit een zucht naar levenservaring een militair opleidingskamp laat binnensmokkelen, waar ze een week lang het nachtelijk speeltje is van een luitenant. Terwijl hij met haar vrijt, vertelt hij haar de vreselijkste frontverhalen.

Aanvankelijk walgt Nina ervan, maar gaandeweg krijgt ze begrip voor zijn machteloosheid en beseft ze dat de realiteit van de oorlog ook haar aangaat. “Bijna alle mannelijke Afrikaner auteurs hebben geschreven over de grensoorlog met Angola. Het was ook een zeer mannelijke aangelegenheid, want iedere jongen van achttien kon naar Angola gestuurd worden. Maar de impact van die oorlog raakte de hele Zuidafrikaanse samenleving. Honderden gezinnen zijn er door ontwricht. En ik dacht: wat is het aandeel van de Afrikaner vrouwen geweest in die oorlog? Zij waren moeder, zus, echtgenote, en je hoorde nooit iets van ze, behalve dat ze in in belprogramma's op de radio hun zonen en echtgenoten moed inspraken, en dat ze baden voor het vaderland. Op een dag kwam een van mijn zwagers op bezoek. Hij is een commando geweest, zo'n perfecte doodsmachine. Hij zweeg altijd als het graf over zijn ervaringen in Angola, maar die avond dronk hij teveel en hij begon te praten. Hij vertelde onder meer van de meisjes die als 'wip' het kamp werden binnengesmokkeld. Dat waren geen prostitueés, maar gewone, goeie calvinistische meisjes die de jongens kwamen verwennen, zodat ze de ellende vergaten en daarna met volle kracht opnieuw de oorlog inkonden.”

“Ik ben toen in opleidingskampen met militairen gaan praten over hun ervaringen aan de grens. De ongelooflijkste verhalen heb ik gehoord. Over commando's die krankzinnig werden en in een isoleercel moesten worden opgesloten, over een mottenplaag aan het front, over methoden voor het verwijderen van steenpuisten. Het vreemde was: ik dacht eerst dat die mannen heel open waren, maar gaandeweg ontdekte ik dat ze hun verhalen tot op een bepaald punt vertelden. Ze vertelden me van de omstandigheden, van het wapentuig, van de hutten in de dorpen, van de muggen, maar niet één heeft me verteld wat het is om iemand te doden.”

“Waar zijn die vrouwen die al die dingen eerder gehoord hebben, als wip in het kamp?, vroeg ik me af. Ik kende ze niet. Pas toen het boek gepubliceerd was, kwamen de bekentenissen, zelfs van vriendinnen die ik al jaren kende. Al die tijd hadden ze hun mond gehouden. Het tekende exact het isolement en de schijnheiligheid van de Afrikaners. En het waren typisch genoeg vooral vrouwen die op mijn boek reageerden met woedende telefoontjes en wraakbrieven. Ze dachten dat het verzinsels waren. Ze waren er heilig van overtuigd dat een echt Afrikaner boere-meisje zoiets nooit zou doen.”