James D. Watson: The Double Helix, 1968.

James D. Watson: The Double Helix, 1968. New Critical Edition. (ed. Gunther S. Stent), Penguin Books 1996, 175 blz. ƒ 29,70

Voor velen zijn boeken over wetenschapsgeschiedenis niet om door te komen. Wetenschappers leiden nu eenmaal vaak een saai leven en kunnen meestal ook niet schrijven. Maar er is nog een misschien veel belangrijker reden. Want waar alleen Marcel Proust in staat was om een A la Recherche du Temps Perdu af te leveren, en er zonder Piet Mondriaan geen Broadway Boogie Woogie was geweest, zo geldt in de wetenschap dat als Newton zijn theorie van de zwaartekracht niet had ontwikkeld, dat zeker later door iemand anders zou zijn gedaan. Zo krijgen wetenschappers iets inwisselbaars en wordt het minder interessant om van hun particuliere zielenroerselen kennis te nemen.

Toch kan zelfs wetenschapshistorie schitterende literatuur opleveren. Het heeft alleen ontzettend lang geduurd voordat het stereotype beeld van wetenschappers werd doorbroken. Inmiddels is echter wel duidelijk geworden dat zij, in de woorden van een van de grootheden van de wetenschapssociologie, Robert Merton, geen 'disembodied intellects' zijn, 'that move toward discovery by inexorably logical steps, actuated [...] by the aim to advance knowledge', maar mensen van vlees en bloed. Met ambities, verborgen agenda's en onaangename karakters, die fouten maken en soms zelfs frauderen. Zelfs grootheden als Louis Pasteur en Albert Einstein vielen in de afgelopen jaren van hun onaantastbaar lijkende voetstuk.

Bijna dertig jaar geleden zou dat ondenkbaar zijn geweest. De maatschappelijke instituties stonden nog fier overeind en ook het wetenschappelijk bastion was nog omgeven met een zweem van heiligheid en onaantastbaarheid. Dat veranderde met het verschijnen van een boek dat de wetenschappelijke wereld heftig in beroering bracht, doordat het voor het eerst enig inzicht bood in die onvermoede kanten ervan: The Double Helix van James Watson. Het vertelde over ruzies, over domme fouten en over onderzoek als een ordinaire wedloop naar een Nobelprijs. Dat alles was zo nieuw dat al maanden vóór publicatie de geruchten over het manuscript - aanvankelijk getiteld 'Honest Jim' - de ronde deden en er gedreigd werd met rechtzaken wegens smaad.

Voor Harvard University was de ophef aanleiding om publicatie te verbieden, een unicum voor deze universiteit, helemaal daar de auteur een 'eigen' hoogleraar was. Nadat talloze voor- en tegenstanders elkaar in kranten en tijdschriften hadden bestookt, groeide het boek alsnog uit tot een bestseller en is het inmiddels een echte klassieker. Het ging dan ook wel over de historie van wat velen nog altijd beschouwen als de grootste prestatie van de wetenschap in de twintigste eeuw: de ontdekking (in 1953) van de structuur van het desoxyribonucleïnezuur (oftewel: DNA) door James Watson en Francis Crick. Een schitterend wetenschappelijk resultaat waarmee zij vóór Salvador Dali het bewijs leverden van het bestaan van God.

Als we Watson zelf echter moeten geloven dan was het eerder een comedy of errors dan een briljant en zorgvuldig overdacht stuk wetenschappelijk speurwerk. Zo was het noch voor Watson, noch voor Crick eigenlijk de bedoeling dat ze aan DNA zouden werken. Watson wilde dat wel. Hij was er speciaal in 1951 voor naar Cambridge gekomen, waar de meeste kennis en ervaring aanwezig was over de techniek om met röntgenstralen de structuur van moleculen op te helderen. Als bioloog ontbrak het hem echter aan veel chemische of fysische kennis, en daarom werd hem door zijn Amerikaanse geldgever te verstaan gegeven dat hij zijn aandacht op iets anders moest richten. Crick was al veel ouder, maar door de oorlog had hij tot groot ongenoegen van zijn promotor nog altijd geen proefschrift kunnen afleveren. Hij was wèl een begenadigd theoreticus op het gebied van de röntgenverstrooiing en kristallografie. Zijn grote probleem was echter dat in Londen al twee onderzoekers - Maurice Wilkins en Rosalind Franklin - bezig waren met DNA. Het zou dus niet passen als Watson en Crick daartussen probeerden te komen.

Tussen Wilkins en Franklin boterde het allemaal niet en alleen al daarom schoten ze niet echt op. Bovendien hadden ze het verkeerd aangepakt en probeerden ze op een zeer theoretische manier het 'geheim van het leven' te ontdekken. In de Verenigde Staten boekte Linus Pauling inmiddels grote vooruitgang met een veel pragmatischer methode, die gebaseerd was op het bouwen van nauwkeurige schaalmodellen van moleculen. Ook Watson en Crick zagen hier veel meer in, maar zij slaagden er niet in hun Londense collega's te overtuigen. Daarom moesten ze tandenknarsend afwachten en het doen met de informatie die mondjesmaat uit Londen kwam en die soms verkeerd werd geïnterpreteerd door de weinig terzake kundige Watson. De schok in Engeland was dan ook groot toen Pauling als eerste de structuur van een eiwit wist op te helderen. Saillant detail is overigens dat ze daar al heel snel van op de hoogte waren, omdat Paulings zoon Peter in Cambridge studeerde. Voor Watson en Crick was het in elk geval aanleiding om zich volledig op het probleem te storten, waarna de race pas echt begon.

Al snel publiceerden ze een model, maar dat bleek verkeerd te zijn: het bood te weinig ruimte aan watermoleculen en daarnaast was een aantal chemische formules voor de basen niet geheel correct. Dan is er opnieuw bericht van Pauling. Hij heeft ook een oplossing, en even is men in Cambridge de wanhoop nabij. Snel wordt echter duidelijk dat Pauling, op dat moment de meest toonaangevende scheikundige in de wereld, een beginnersfout heeft gemaakt, die “het een student voorgoed onmogelijk zou hebben gemaakt een hoogleraarschap aan CalTech te verkrijgen”. Er wordt in de plaatselijke pub The Eagle zelfs speciaal op getoost: het kan nog altijd!

Het geluk is Watson en Crick dan welgezind. Via een collega krijgen ze inzicht in de laatste resultaten uit Londen, waar met name Franklin schitterende röntgenfoto's heeft weten te maken. En als Watson op een middag wat met kartonnen schaalmodelletjes zit te spelen, komt het gouden idee van de 'dubbele helixstructuur' van DNA. Er wordt een artikel voor Nature geschreven - heel lang het meest geciteerde artikel ooit - en Watson en Crick kunnen negen jaar later, samen met Maurice Wilkins hun Nobelprijs ophalen.

En wat is er dan gebeurd met Rosalind Franklin? Waren het niet haar foto's die het cruciale bewijsmateriaal leverden? Inderdaad, maar zij heeft nooit dat eerbewijs mogen ontvangen, omdat ze in 1958 op 37-jarige leeftijd was overleden. Als ze was blijven leven, had ze het Nobelcomité voor grote problemen gesteld, want Nobelprijzen kunnen immers aan ten hoogste drie personen worden toegekend.

Veel van de kritiek op The Double Helix richtte zich dan ook op Watsons karakterisering van Rosalind Franklin als een stug en onvriendelijk mens dat koppig bleef vasthouden aan haar eigen denkbeelden. Watson werd uiteindelijk min of meer gedwongen dit al te gekleurde beeld in een later toegevoegde epiloog te nuanceren. Hoewel inmiddels wel vast is komen te staan dat Franklin inderdaad geen makkelijk persoon was, is dat misschien beter te begrijpen in het licht van de ondergeschikte positie die vrouwen in de wetenschap zelfs nu nog innemen. Ze moest zich nu eenmaal meer laten gelden om hetzelfde te bereiken als mannen in een vergelijkbare positie.

Zo liet James Watson, zonder dat hij zich dat zelf realiseerde ook hiermee zien dat het smetteloze beeld van de wetenschap bijstelling behoefde. Bij alle aandacht voor de mensen áchter de ontdekking en hun zwakheden is het wellicht goed in het oog te houden wat Francis Crick in zijn autobiografie What Mad Pursuit over deze episode uit zijn leven opmerkte: “It's the molecule that has the glamour, not the scientists.”