Huis met een geheugen; De banaliteit van de moderne computer-architectuur

Plooien en welvingen, ontworpen op de computer zijn de laatste mode in de architectuur. Volgens de pleitbezorgers hiervan is de wereld sinds de entree van de computer vloeiend geworden en dus moeten gebouwen dat ook zijn. Maar het nieuwe huis van computertycoon Bill Gates, het modernste ter wereld, bewijst dat computers niet tot neobarokke plooien hoeven leiden. “Het interactieve huis van Gates lijkt nog het meest op een verzameling gezellige houten Zwitserse chalets.”

Daniel Libeskind. Beyond the wall. T/m 23 nov. in het Nederlandse Architectuurinstituut, Museumpark 25, Rotterdam. Di t/m za 10-17 u., zo 11-17u.

Daniel Libeskind: Fishing from the Pavement. Uitg. Nai Publishers, 192 blz. Prijs ƒ 39,50.

Robert Venturi: Iconography and Electronics upon a Generic Architecture. Uitg. The MIT Press, 374 blz. Prijs: ongeveer 75 gulden.

Architecten zijn bang om banaal te zijn. Dit bleek weer eens toen het nieuwe techniekmuseum newMetropolis een paar maanden geleden in Amsterdam werd geopend. Iedereen ziet in het schitterende groene gebouw een reusachtige boot die uit het water van het Oosterdok oprijst. Maar Renzo Piano, de ontwerper van het museum, houdt in elk interview bij hoog en laag vol dat hij het helemaal niet als boot had bedoeld. Nee, de oprijzende vorm was het spiegelbeeld van de IJ-tunnel waarop het nieuwe museum moest worden gebouwd.

Het geven van een bouwkundige verklaringen is slechts een van de manieren die architecten hebben om beschuldigingen van banaliteit te voorkomen. De beste vlucht voor banaliteit is theoretiseren. Veel hedendaagse architecten laten hun ontwerpen dan ook vergezellen door lange verhandelingen vol verwijzingen naar het werk van filosofen als Heidegger, Lacan, Foucault, Derrida en Deleuze. Van hun werk is de laatste tijd in het Nederlands Architectuurinstituut opvallend veel te zien. Zo werd hier gedurende de zomer een tentoonstelling gehouden van de Zwitsers-Franse architect Bernard Tschumi. Tien jaar geleden gold hij nog als een van de pioniers van het deconstructivisme, dat dicteert dat gebouwen moeten lijken op explosies en verkeersongelukken. Misschien omdat inmiddels ook tot hem is doorgedrongen dat het deconstructivisme in de architectuur eigenlijk niet veel meer is dan de banale vaststelling dat onze wereld fragmentarisch is en de architectuur dus ook zo moet zijn, houdt Tschumi zich in zijn meer recente teksten niet meer bezig met deze op een na laatste architectuurmode. Het gaat Tschumi nu meer om het 'tussen' van de architectuur. Hij wil met zijn gebouwen de verborgen mogelijkheden van een plek of een programma van eisen onthullen, schrijft hij. Hij wil 'tussen-ruimtes' creëren, ruimtes die niet voor specifieke functies zijn bedoeld, maar waar allerlei onverwachte gebeurtenissen kunnen plaatsvinden.

Wie vervolgens zijn ontwerpen op de tentoonstelling zag, werd verbijsterd door de letterlijke manier waarop Tschumi het 'tussen' vorm geeft. In vrijwel al zijn ontwerpen, zoals het nu in aanbouw zijnde studiecentrum van de Columbia University in New York, ruimt hij uitzonderlijk veel plaats in voor trappen, hellingbanen en luchtbruggen, kortom, verbindingen tussen de verschillende etages van een gebouw. Of hij laat, zoals in de onlangs voltooide 'nationale studio voor hedendaagse kunst' in het Franse Tourcoing, boven bestaande gebouwen een groot dak bouwen, zodat er heel letterlijk een 'tussenruimte' ontstaat.

Hocus-pocus

Ook de Pools-Amerikaanse architect Daniel Libeskind, aan wiens werk nu een grote overzichtstentoonstelling in het Nederlands Architectuurinstituut is gewijd, ontkomt niet aan banaliteiten. Maar hij koppelt ze aan een extreme complexiteit. Onveranderlijk bestaan zijn ontwerpen uit duizelingwekkende opeenstapelingen van schots en scheve, aan het Russische constructivisme ontleende vormen. Zijn teksten gaan nog verder. Architecten als Tschumi zijn vaak goed voor duister proza, maar Libeskind zorgt voor de unieke ervaring van volmaakte onbegrijpelijkheid. '“Tiny Tooth!” voracious nature is crying. Clouds in zigzag attack. Good morning for trading offal and bones on the Paris Stock Exchange. A lively cavatina. The year: 1898', zo begint Libeskinds Fishing from the Pavement, het boek dat ter gelegenheid van de expositie in het Architectuurinstituut werd uitgegeven. 'Lear cured with limpid strophes sarcastically symbolizing the nothing. Freud's idiocy, a declination from sequestered ills: erotic hocus-pocus.' Enzovoort, enzovoort tot de honderdtweeënnegentigste bladzijde is bereikt.

Tegenover deze opeenstapeling van onbegrijpelijkheden staan banaliteiten. Zo is de zigzagvorm van Libeskinds Joods Museum in Berlijn het resultaat van het uiteen leggen van een davidsster, moeten we telkens weer lezen over dit nu bijna voltooide gebouw. Als symboliek is dit bijna net zo plat als die van het Theater van het Rode Leger in Moskou, dat in de Stalintijd een stervorm als plattegrond kreeg. Niet veel verfijnder is de lege ruimte die dwars door het museum loopt: deze verbeeldt op een wel heel letterlijke manier de leegte die de vernietiging van de joodse Berlijners door de nazi's heeft achtergelaten.

Voordeel van Libeskinds banaliteiten is dat ze meestal onzichtbaar zijn. Zo zullen onwetenden er in zijn museum niet veel van merken dat het een opengeklapte davidsster is. En wie zonder enige voorkennis op de expositie in het Nederlands Architectuurinstituut zijn niet uitgevoerde ontwerp voor de Alexanderplatz in Berlijn ziet, zal niet bevroeden dat de handafdruk van Alfred Döblin, schrijver van de roman Berlin Alexanderplatz, hieraan ten grondslag heeft gelegen. Maar onzichtbaar of niet, bezwaar tegen ontwerpen als die van Libeskind is dat ze architectuur reduceren tot een illustratie: gebouwen worden gestolde theorieën, sculpturen met een vaak platvloerse boodschap.

Dit bezwaar geldt nog het meest voor de allerlaatste mode in de architectuur, de plooi- en welvingsbouwkunst. Computers, internet, virtual reality en andere toepassingen van moderne technieken hebben ons wereldbeeld drastisch veranderd, geloven de plooi-architecten, en dus moet ook de architectuur anders worden. Net zo min als internet zal de moderne wereld een hiërarchische ordening kennen, zo menen zij in navolging van de twee jaar geleden overleden Franse filosoof Gilles Deleuze. De wereld wordt of is al een 'rhizoom', een netwerk dat zonder centrale besturing alsmaar verder uitdijt. Virtual reality zal ons werkelijkheidsbesef radicaal veranderen, de wereld wordt een vloeiend geheel van echt en 'virtueel' dat voortdurend verandert.

Vloeibaar

Bij zo'n wereld hoort een 'vloeibare' architectuur, vindt bijvoorbeeld Lars Spuybroek van NOX Architecten, ontwerper van het onlangs geopende waterpaviljoen op Neeltje Jans, het voormalige werkeiland van de stormvloedkering in de Oosterschelde. Door architectuur te 'kruisen met andere media' wil Spuybroek 'haar op een ander spoor zetten, een spoor waar moderne wetenschap, niet-lineaire elektronische media en cultuurtheorie zich met elkaar verenigen,' schrijft hij. 'Dit betekent een vloeiende versmelting van bijvoorbeeld muur en vloer, van lichaam en geometrie, van object en omgeving, van vloer en volume, van actie en vorm'. Het vloeibare karakter van de architectuur wordt nog bevorderd, doordat de computer het vrij gemakkelijk maakt complexe organische vormen te ontwerpen, al blijken ze vervolgens in de weerbarstige praktijk alleen met veel moeite bouwbaar.

Spuybroeks paviljoen, dat een expositie over zoet water herbergt, werd dan ook een organische sculptuur met gekromde ruimten. Het taboe op rechte vormen moet de bezoeker van het waterpaviljoen in twijfel brengen over het begin en einde van vloeren, wanden en plafonds. Toch doet ook in dit gebouw de zwaartekracht onontkoombaar zijn werk en verkeert de bezoeker geen moment in onzekerheid over vloeren, wanden en plafonds. Waar men kan lopen zijn de vloeren, waar dit onmogelijk is zijn de wanden en boven zijn hoofd is het plafond - zo eenvoudig is het niet alleen in een gebouw dat wel rechte vormen heeft, maar ook in de grot van het waterpaviljoen.

Een fundamenteler bezwaar tegen de neo-barokke welvingsarchitectuur is dat zij net zo banaal is als haar voorganger, het deconstructivisme. De wereld is vloeiend en dus moeten de gebouwen dit ook zijn, zo kan de geloofsbelijdenis van de neo-barokarchitecten worden samengevat. Deleuze heeft gezegd dat veel in de huidige wereld zich voordoet als een plooi en dus moeten de gebouwen ook uit plooien en vouwen bestaan. Zo wordt de architectuur weer gereduceerd tot een illustratie van een theorie.

Interactief huis

Dat computers en nieuwe technieken helemaal niet gepaard hoeven gaan met een nieuwe neobarokke stijl, blijkt uit het huis van de Amerikaan Bill Gates, dat nu zijn voltooiing nadert in Melina, een voorstad van Seattle. Als er één gebouw in de wereld duidelijk kan maken hoe computers de architectuur zullen veranderen, is het dit nieuwe onderkomen van de belangrijkste digitale revolutionair, de nu 41-jarige oprichter en directeur van het softwarebedrijf Microsoft. Zijn onderkomen is voorlopig het meest geavanceerde huis ter wereld. Het wordt geregeerd door een alomtegenwoordig computersysteem, zoals de computer HAL het ruimtevaartschip bestuurt in Stanley Kubricks film 2001 A Space Odessey. Maar Gates' huis lijkt in niets op een ruimteschip en ook welvingen en plooien zijn er ver te zoeken. Het computertijdperk van Gates' dicteert geen neo-barok, het is stijlloos.

Gates heeft zijn huis, waarvan de bouw in 1990 begon, met veel geheimzinnigheid omgeven. Alle betrokkenen bij de bouw, van de architect tot de bouwvakkers, zijn contractueel verplicht om in alle talen te zwijgen over dit huis. Zelf beantwoordt Gates er ook geen vragen over en nieuwsgierigen worden op grote afstand gehouden.

Toch is er al veel bekend geworden over Gates' huis, dat naar schatting 120 miljoen gulden gaat kosten. Niet alle uitverkorenen die het huis in aanbouw mochten bezoeken, hebben er over kunnen zwijgen en bovendien heeft Gates er zelf over geschreven in zijn boek The Road Ahead.

“De technologische vernieuwingen die ik voor mijn huis in gedachten heb, verschillen eigenlijk niet zoveel van die welke mediamagnaat William Randolph Hearst in het zijne wilde”, schrijft Gates. “Hij wilde nieuws en vermaak met één druk op een knop. Dat wil ik ook.” Ter inspiratie voor zijn eigen huis bracht Gates dan ook een bezoek aan Hearst Castle in het Californische San Simeon. Hij zag daar een paleis dat was volgestouwd met oude architectuurfragementen en kunstwerken uit heel de wereld. Granieten beelden uit het oude Egypte, pedimenten en zuilen uit het antieke Rome, complete renaissance-interieurs uit Frankrijk, barokke kerkfaçades uit Spanje - voor alles wat oud en waardevol was, had Hearst plaats gemaakt in zijn kolossale onderkomen. Maar achter dit negentiende-eeuws aandoende eclecticisme ging een geavanceerd telefoon-, telegraaf- en radiosysteem schuil, dat het Hearst mogelijk maakte om vanuit zijn paleis zijn media-imperium van dertig kranten, vijftien tijdschriften, acht radiostations en een aantal filmbedrijven te besturen.

Natuurlijk is Gates' huis wel geavanceerder dan het paleis van Hearst dat bij zijn overlijden in 1951 overigens nog niet was voltooid. 'Net als Microsoft zelf probeert het huis te anticiperen op de nabije toekomst', schrijft Gates. 'Mijn huis wordt zo gebouwd dat het iets vooruitloopt op zijn tijd en misschien suggesties doet voor de toekomst van huizen.'

Het huis van de digitale revolutionair is interactief. 'Het eerste dat je krijgt als je binnenkomt is een electronische speld op je kleren', schrijft Gates. De speld bevat informatie over de muzikale, artistieke en andere voorkeuren van de gast. 'Via de speld ben je verbonden met de electronische diensten van het huis. De speld vertelt het huis wie en waar jij bent, en het huis zal deze informatie gebruiken om op je behoeften te anticiperen en eraan te voldoen op een zo onopvallend mogelijke manier.'

'Als je door een gang loopt, zul je misschien niet eens opmerken dat de lichten voor je geleidelijk op volle sterkte zijn gaan schijnen en de lichten achter je weer langzaam doven. Ook de muziek beweegt met je mee. Het lijkt alsof overal dezelfde muziek klinkt, maar in andere delen van het huis luisteren mensen naar andere muziek. Films en het nieuws kunnen je ook kunnen volgen door het huis.'

Overal in Gates' huis hangen beeldschermen die dit mogelijk maken. In de grote ontvangsthal van het huis vormen 24 schermen van één bij één meter zelfs een hele wand waarop evenzovele beelden of juist één kolossaal beeld kunnen worden getoond.

Het grote verschil met Hearst Castle is dat Gates niet échte beelden, schilderijen en architectuurfragmenten heeft gekocht, maar volstaat met digitale versies van kunstwerken. Gates' huis is het 'virtuele' equivalent van Hearst Castle. Zijn bedrijf Corbis is eigenaar van de electronische reproductierechten van miljoenen kunstwerken uit musea over heel de wereld die allemaal oproepbaar zijn in huis.

Bovendien heeft het huis een geheugen. 'Als je in het verleden hebt gevraagd om schilderijen van Matisse, krijg je andere werken van deze schilder op de muren van je kamer, als je later opnieuw een bezoek brengt aan het huis.'

Dienaar

Maar al is Gates' paleis dan geavanceerder dan Hearst Castle, architectonisch is het veel onopvallender. Op luchtfoto's lijkt het interactieve huis van Bill Gates nog het meest op een verzameling gezellige houten Zwitserse chalets. Dit is geen wonder, want Gates koos als ontwerper van zijn huis James Cutler, een architect die is gespecialiseerd in de 'North West Pacific Style'. Cutler huldigt het beginsel dat huizen goed moeten passen bij hun natuurlijke omgeving. En dus kregen de door Gates gewenste vertrekken, waaronder een bibliotheek, een fitness-ruimte, een zwembad met onderwatermuziekinstallatie, een hal voor honderd gasten, een ruimte van zes meter hoog met een trampoline, slaapkamers en allerlei andere vertrekken, de vorm van zeven lage afzonderlijke paviljoens die door onderaardse gangen zijn verbonden. Zo komt het dat Gates' terrasvormige huis niet echt opvalt tussen de bomen aan het Lake Washington in Medina. Ook binnen heerst de traditie: overal zijn houten lambrizeringen en de bibliotheek heeft een klassieke koepel gekregen. 'Ik wilde degelijk handwerk maar niet iets opzichtigs', schrijft Gates. 'Ik wilde een huis dat is voorzien van verfijnde, veranderende technologie maar op een discrete manier die duidelijk maakt dat technologie de dienaar is, en niet de meester.'

De manier waarop Gates geavanceerde electronica in zijn huis heeft laten verwerken, doet denken aan de vorm van electronische architectuur waarvoor de Amerikaan Robert Venturi in zijn laatste boek pleit. Electronica en computers betekenen helemaal niet dat gebouwen moeilijk bouwbare wervelende sculpturen moeten worden, houdt Venturi de lezers van Iconography and Electronics upon a Generic Architecture voor. Er zijn veel betere en gemakkelijkere toepassingen van electronica in de architectuur mogelijk. Verwerkt in gevels en muren van tamelijk normale gebouwen die in de eerste plaats dienen als beschutting, kunnen computers en electronica zorgen voor een flexibele, veranderlijke architectuur. Gevels en binnenmuren kunnen een soort geavanceerde billboards worden en, net als in het huis van Bill Gates, dragers zijn van steeds wisselende boodschappen, afbeeldingen of ornamenten. 'Viva virtual architecture, almost', zo parafraseert Venturi een citaat uit zijn eigen boek Learning from Las Vegas waarmee hij 25 jaar geleden opschudding veroorzaakte.

Maar voor de neobarokke computerarchitecten is zulke 'virtuele architectuur' waarschijnlijk veel te banaal.