Harry Mulisch en de compositie van Nederland; Losgezogen uit de polder

Harry Mulisch: Universum. De ontdekking van de hemel I & II, Hoogste tijd, Archibald Strohalm, De diamant, De aanslag, De verteller, Het stenen bruidsbed. Twee vrouwen. Het zwarte licht. De elementen. De pupil. De Kamer. Plus een bibliografie verzorgd door Marita Mathijsen. Bezige Bij. ƒ 350,- (Vanaf 1 januari 1998 ƒ 395,-)

Max Pam: De Herenclub. Bert Bakker, 205 blz. ƒ 29,90

Zeventig jaar mens, vijftig jaar schrijver - Harry Mulisch had inderdaad iets te vieren afgelopen maandag in het Concertgebouw. Een waardig en vrolijk eerbetoon was het, in het gezelschap van hoogwaardigheidsbekleders, vrienden, bewonderaars. Zo hoort het bij een schrijver van zijn formaat, met zo'n oeuvre op zijn naam. De tien romans daaruit, voorafgegaan door zijn debuutverhaal De kamer, werden hem achtereenvolgens door bevriende feestredenaars aangeboden, tot de cassette vol was. Maar wanneer Mulisch in Nederland zo onbekrompen wordt geprezen, ontbreekt zelden of nooit de dissonant. Ditmaal in de vorm van Max Pams satirische roman De Herenclub, eerder als feuilleton verschenen in de Volkskrant en nu - op een strategisch ogenblik - gepubliceerd in boekvorm.

Mulisch heet bij Pam 'Horus Mimir', de ietwat wereldvreemde, ijdele en zelfgenoegzame schepper van het magnum opus Ik ben het Universum. De grote schrijver, die in het eerste hoofdstuk met instemming verneemt dat hem de Grote Prijs der Nederlandse Letterkunde is toegekend, wordt op jolige wijze in zijn hemd gezet. We zien hem op de dag van de prijsuitreiking zonder broek voor de spiegel staan, het lukt hem telkens niet langer dan een paar seconden te lezen in het boek ('The eternal paradox in astrophysics') dat hij altijd bij zich draagt, en aan het slot wordt hij pardoes de ruimte ingeslingerd, het zwarte gat tegemoet, terwijl de koningin en het voltallige kabinet vergeefs zijn komst afwachten in het kasteel waar hem de prijs moet worden overhandigd.

Waar komt die kennelijk onbedwingbare behoefte aan satire en distantie vandaan? Vergelijkbare literaire grootheden als Willem Frederik Hermans of Gerard Reve hadden en hebben er geen last van, wanneer zij publiekelijk in het zonnetje worden gezet. Op hun verjaardagen klinkt of (in het geval van Hermans) klonk steeds unanieme affectie, om niet te zeggen devotie. Aan Mulisch' werk kan het niet liggen, want dat doet niet onder voor wat Hermans en Reve hebben geschreven. Voor zijn latere boeken heeft Mulisch zelfs beduidend minder kritiek geoogst dan zijn beide collega's voor de hunne. Toch sluiten zich in hun geval de gelederen, zodra er iets officieel te vieren valt. Collectief worden zij in de vaderlandse armen gesloten, ondanks alle op- en aanmerkingen.

Zo niet Harry Mulisch. Hoe groot de waardering bij zijn lezers ook is - en dat die groot is, bewijzen naast de gunstige kritieken de oplagecijfers van zijn boeken en de vele prijzen die hij al in ontvangst heeft mogen nemen - altijd klinken er tegengeluiden, die desnoods bereid zijn alles wat Mulisch heeft geschreven naar de vuilnisbelt te verwijzen. Men drijft de spot met zijn persoon en werk, probeert hem te kleineren en bij sommigen van zijn tegenstanders valt ook onversneden haat te beluisteren.

Dat het van meet af aan zo is geweest, bewijst de bundel Bestrijd het leed dat Mulisch heet die ter gelegenheid van Mulisch' zestigste verjaardag werd samengesteld uit de naoorlogse jaargangen van het Amsterdamse studentenblad Propria Cures. Humbug, charlatannerie, modieus gedoe - het zijn maar enkele van de invectieven die de schrijver naar het hoofd krijgt geslingerd. Zoveel vijandige trouw, door de jaren heen, mag in de Nederlandse letteren een unicum heten. Onwillekeurig onthult het iets omtrent de diepte van de merkwaardige spanning die er tussen Mulisch en Nederland bestaat. Wanneer hij wordt gefêteerd, is het nooit voor iedereen feest.

Masochisme

Mulisch heeft een andere relatie met Nederland dan Hermans of Reve. Hoe anders, dat springt pas in het oog als je je realiseert dat zij zich, in tegenstelling tot Mulisch, bijna altijd zeer negatief over hun vaderland hebben uitgelaten. 'Geen land ter wereld haat zijn schrijvers zozeer als Nederland', schrijft Hermans vol wrok in zijn laatste essaybundel Malle Hugo. Reve noemt (in Brieven aan mijn lijfarts) de Nederlandse cultuur er één van 'psychopathen en zenuwlijders'. En zulke opmerkingen zijn geen incidenten, ze kunnen zo nodig ad infinitum worden uitgebreid. Beide schrijvers zijn dan ook op zeker moment verdwenen naar het buitenland, terwijl Mulisch' enige verhuizing die van zijn geboorteplaats Haarlem maar Amsterdam is geweest. Bij hem krijg je zelden de indruk dat hij zich in Nederland niet op zijn gemak voelt.

Hermans en Reve is hun gefoeter en getier op Nederland nooit kwalijk genomen. Integendeel, het heeft hen alleen maar dierbaarder gemaakt. Dat zou kunnen wijzen op masochisme bij het publiek. Het geniet er kennelijk van door zijn schrijvers te worden getuchtigd. Onder dit masochisme gaat wellicht een minderwaardigheidscomplex schuil, dat elders blijkt uit de blinde adoratie voor alles wat van verre komt - één van de redenen die Hermans placht aan te voeren voor de Nederlandse haat tegen de eigen literatuur. Maar Mulisch, met zijn Oostenrijkse vader en zijn Belgisch-joodse moeder, komt in zekere zin van verre en toch ligt niet iedereen aan zijn voeten.

Het blijft een wonderlijk verschil en het berust, geloof ik, op een verschil in afhankelijkheid. Hoewel het communisme en de kleinburgerlijkheid van hun ouders geenszins identiek zijn, komen Hermans en Reve uit hetzelfde zeer Nederlandse milieu, waarvan de verstikkende atmosfeer exemplarisch wordt opgeroepen in De avonden. Beiden hebben hun uiterste best gedaan zich aan die atmosfeer te ontworstelen, en niet zonder succes. Maar omdat dit succes op verzet berustte, werd niet de afhankelijkheid teniet gedaan. Wie zich verzet, blijft onvermijdelijk gebonden aan datgene waartegen hij zich verzet. Reve's katholicisme en zijn ironische pose als 'burger-schrijver' zijn zonder zijn herkomst ondenkbaar. Bij Hermans blijkt de afhankelijkheid juist uit zijn anti-godsdienstige tirades en, op een meer directe manier, uit zijn keuze voor een wetenschappelijke carrière, die een verlangen naar respectabiliteit verried dat zijn vader deugd zou hebben gedaan.

Hun conflicten met de overheid doen daar niets aan af. De geweigerde reisbeurs voor Melancholia, de processen naar aanleiding van Ik heb altijd gelijk en Nader tot U en de beschamende 'affaire' in Groningen hebben de afhankelijkheid eerder bevestigd. Nederland liet hen niet los en zij hebben Nederland niet losgelaten, ook niet na hun vertrek naar het buitenland. Reve is zich altijd blijven beschouwen als een 'oer-Nederlands' schrijver, Hermans wist maar al te goed dat het hem als schrijver onmogelijk was zich van Nederland te ontdoen. 'Je kunt nog zo'n grote anti-patriot zijn, je vaderland blijft de enige authentieke materie', zei hij in een interview. Het is deze afhankelijkheid die door het publiek feilloos is herkend en gehonoreerd.

Onderwereld

Bij Mulisch valt daarvan weinig of niets te bekennen. Hij is nooit in conflict gekomen met de overheid. Niet omdat hij zo volmaakt in Nederland zou passen, maar omdat er onvoldoende connecties bestaan. Toen hij als schrijver begon, had hij naar eigen zeggen het gevoel 'omgeven [te zijn] door de woestijn van een niet-bestaande literatuur'. Zijn aanvankelijke duik in occultisme en mystiek sloot nergens bij aan, en nadat hij erin geslaagd was zijn 'apocriefe onderwereld' te overwinnen dankzij de 'vorm', leidde dat - voor het eerst in Archibald Strohalm - tot een literatuur die in Nederland op zichzelf stond en staat. Wat hij schreef was te vreemd, te bizar om als bedreigend of gevaarlijk te worden ervaren; het wekte hooguit verbazing en weldra ook verbaasde bewondering.

Toen Mulisch en Nederland in de loop van de jaren zestig nader tot elkaar leken te komen, kwam hierin ogenschijnlijk verandering. In de provotijd identificeerde hij zich in verregaande mate met wat er in Amsterdam aan de gang was; zijn Bericht aan de rattenkoning werd uitdrukkelijk niet gepresenteerd als een boek over de rellen in de hoofdstad, maar als iets dat daarvan deel wenste uit te maken. Desondanks vergat Mulisch geen moment dat het Amsterdamse tumult in een internationale context paste. Amsterdam was voor hem 'het wereldprobleem weerspiegeld in een glazen stuiter'. En ook zijn blinde adoratie voor Cuba hoorde thuis in een programma dat zich van Nederland weinig aantrok: de 'nieuwe mens' van Castro's laboratorium zag hij allereerst als het alternatief voor de moderne amorele technocraat, die hij kort tevoren in Eichmann had herkend.

Dat Hermans en Reve destijds eveneens tot de rebellen werden gerekend, berustte op een misverstand. Objectief hebben zij beslist aan de mentaliteitsverandering bijgedragen - Reve met zijn homoseksuele 'coming out' waarvan de schok nu amper nog navoelbaar is, Hermans met zijn agitatie tegen religie en morele bekrompenheid - maar subjectief voelden zij weinig sympathie voor de toenmalige jeugdrevolte. 'Ik ben niet ontevreden of opstandig jegens de van God gegeven orde, noch jegens de autoriteiten, die immers over ons gesteld zijn', lezen we al in Nader tot U. Hermans werd in Groningen juist het slachtoffer van de universitaire democratisering, waarin hij - anders dan de meesten van zijn collega's - weigerde zich lijdzaam te schikken. Voor hen beiden en met name voor Hermans kon de botsing met het establishment daarom iets van een persoonlijke tragedie krijgen. Bij Mulisch, was het ooit zover gekomen, zou daarvan geen sprake zijn geweest.

In het nieuwe Nederland voelde hij zich als een vis in het water, wat niet wegneemt dat zijn mede-revolutionairen daar vaak anders over dachten. Aan demonstraties dient men niet per sportwagen deel te nemen, luidde het calvinistisch strenge oordeel, en opvallend is de kritiek die zijn Cuba-boek ook van linkse zijde ten deel viel, alsof een buitenstaander zich in zaken had gemengd die hem niets aangingen. Toen links Nederland zich in de loop van de jaren zeventig weer van Castro distantieerde, was hij een van de weinigen die hun vroegere engagement niet verloochenden - dat tekent opnieuw het verschil. Alleen in de jaren tachtig viel het verschil een moment vrijwel weg, ten tijde van de grote antikernwapendemonstraties. Vandaar dat De aanslag, waarin zo'n demonstratie een belangrijke rol speelt, Mulisch' populairste roman kon worden, die - als enige van zijn boeken - zelfs in Propria Cures met instemming werd begroet.

Uiteraard ontbrak ook toen de kritiek niet geheel. Voor zover die kritiek zich niet op het naïeve pacifisme richtte, kwam zij neer op een verwijt van modieus opportunisme. Zoals hij zich in Twee vrouwen gevoelig had getoond voor het populaire feminisme, zo had hij zich in De aanslag moedwillig laten besmetten door de toentertijd heersende 'hollanditis'. Toch lijkt opportunisme mij niet het goede woord - het doet onvoldoende recht aan Mulisch' houding tegenover de hem omringende werkelijkheid. Beter is het om te zeggen dat hij gebruik maakte van wat de werkelijkheid hem aanbood, zonder zichzelf en zijn eigenzinnige preoccupaties te verloochenen. Want ook in Twee vrouwen en De aanslag zijn, voor iedereen die geen genoegen neemt met alléén het spannende verhaal, die preoccupaties (met de tijd, de tragedie, de kosmos) moeiteloos te herkennen.

Tot Mulisch' nooit helemaal harmonieuze relatie met Nederland zou dit 'gebruik maken' wel eens de sleutel kunnen zijn, die tegelijk het onderscheid met Hermans en Reve markeert. Mulisch draait de verhoudingen om: niet hij is afhankelijk van Nederland, maar - in zijn werk - is Nederland dat van hem. Zijn schrijven heeft hij zelf ooit getypeerd als een in wezen alchimistische 'zelfschepping, autocreatie', en daarbij kan alles wat zich aandient als grondstof worden gebruikt. De wereld verdwijnt in de mythische realiteit van het literaire kunstwerk, om daar een nieuw autonoom leven te gaan leiden, dat losstaat van de normale omgeving.

Het is verleidelijk deze 'autocreatie' ook tot de persoon uit te breiden. In zijn privé-leven maakt Mulisch niet minder gebruik van Nederland, door om zich heen een eigen Nederland te creëren, een Nederland dat hem past en bevalt. Max Pam heeft dat goed begrepen. In zijn satire is het Horus Mimir zelf die zijn 'herenclub' opricht, bij wijze van verweer tegen de gevolgen van zijn 'negatief charisma': 'Om zich te wapenen tegen de kwaadaardigheid van de buitenwereld, had hij zich omringd met een kleine groep van intimi. De leden waren zorgvuldig uitgekozen en vervulden allen belangrijke maatschappelijke functies'. Als Pam gelijk heeft, dan is Mulisch er zelfs in geslaagd zijn eigen establishment te creëren. Geen wonder dat conflicten zijn uitgebleven en dat hij nooit naar het buitenland heeft hoeven uit te wijken. Mulisch' Nederland is immers niets anders dan een extensie van hemzelf.

Afhankelijkheid

Voor de Nederlanders die zich aldus gebruikt weten, kan dat onuitstaanbaar zijn. Hun, onze, autonomie wordt ontkend. Alle eer die Mulisch, zoals maandagavond in het Concertgebouw, ten deel valt, heeft daarom iets dubbelzinnigs: via zijn publiek complimenteert hij eigenlijk zichzelf. Wat ontbreekt, is het wanhopige of verbeten vertoon van afhankelijkheid, dat bij Hermans en Reve in de woede op hun landgenoten wel aanwezig is en waarvoor zij met unanieme bewondering worden beloond. De besmuikte kritiek die bij Mulisch nooit ontbreekt, komt dus neer op een weerspannige poging de eigen onafhankelijkheid terug te winnen. Maar wie bereid en in staat is tot voldoende zelfironie kan er ook een tegendraads bewijs in zien van de unieke kracht, waarmee de literaire alchimist Mulisch zichzelf en Nederland in een particulier kunstwerk probeert te veranderen.

Al vijftig jaar lang doet hij dit met zoveel jongensachtig plezier dat het bij zijn zeventigste verjaardag toch niet al te moeilijk zou moeten zijn om hem zijn plezier te gunnen en het, als dankbare lezers, zelfs te delen.

Bezoek in Amsterdam

Voor Harry Mulisch

bij zijn zeventigste verjaardag

De stad zet haar ramen wagenwijd open

om geen toon te hoeven missen.

Een lied rijdt op de fiets voorbij

en geeft ieder huis een noot.

Mijn vriend woont aan een gracht.

De trap van zijn nauwsluitend huis

is door een slangenbezweerder

ontworpen die in de kolonieEËn werd opgeleid:

wie de treden behoedzaam bestijgt

hoort amandelvormige zuchten.

Soms vaart een oud schip

de salon door, waarvan de kapitein

geschriften op de vensterbank aflegt

middeleeuwse traktaten

over Verlichting en Magie

maar ook doodgewone levensverhalen.

Wanneer mijn vriend uit het raam kijkt

wordt de stad twee keer zo groot.

In de schemering stappen de klassieken

van de boekenplanken en gaan aan de slag

een hond serveert ze kaas en wijn.

En 's nachts veegt een engel zorgvuldig

de straat tussen water en huisdeur

alsof hij een der vier rivieren

naar het Paradijs moet reinigen.

MICHAËL KRÜGER

Michael Krüger is de Duitse uitgever van Harry Mulisch. Dit gedicht schreef hij ter gelegenheid van Mulisch' verjaardag. Vertaling: Erik Menkveld