Eerste Wereldoorlog in België; 'Vlaanderen tot der dood'

Sophie de Schaepdrijver: De Groote Oorlog. Het koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog. Atlas, 366 blz. ƒ 39,90

De Grote Oorlog leeft nog in België - meer dan de Tweede Wereldoorlog. De wapenstilstand van 1918 wordt elke elfde november herdacht met een nationale feestdag, mei 1945 niet. Nu nog leggen Belgen bloemen bij de graftombe van 'koning-soldaat' Albert I, die van 1914 tot 1918 trouw bij zijn troepen aan het IJzerfront bleef. Maar de oorlog leeft vooral op de winderige poldervlakte in het Westvlaamse Diksmuide, waar iedere zomer enkele duizenden Vlaamse gezinnen samenkomen voor de IJzerbedevaart. Ze komen om hun geloofsbetuigenis aan Vlaanderen af te leggen en zweren 'houwe trouwe, U Vlaanderen tot der dood'. Terwijl vendelzwaaiers over de 'bedevaartweide' paraderen, brengen scouts een bloemenhulde aan de gevallenen van '14-'18, die bij duizenden om zijn gekomen in de loopgravenoorlog tegen Duitsland.

Ieder jaar wordt er aan herinnerd dat het vooral Vlaamse soldaten waren, die het laatste stukje niet-bezet België verdedigden in het zompige land aan de IJzer. En altijd is er wel iemand die verontwaardigd vertelt dat het Vlaamse voetvolk de dood in werd gejaagd omdat het de bevelen van de Franstalige officieren niet kon verstaan.

Die laatste verzuchting kan verwezen worden naar het rijk der mythen, volgens historica Sophie de Schaepdrijver die zich beroept op getuigenissen van oud-strijders. Inderdaad was het merendeel van de soldaten aan het front Vlaming, vooral omdat Wallonië al bezet was toen de lichting van september 1914 naar het front ging. En ja, in het leger was sprake van 'botte eentaligheid'. Maar de Vlaamse soldaten verstonden voldoende Frans om waarschuwingen als 'Danger de Mort' te begrijpen. De bevelen werden meestal door onderofficieren vertaald. 'Franse legeruitdrukkingen maakten verder vanzelfsprekend deel uit van de lingua franca die de honderden dialecten overspannende soldatentaal was.' De legendarische bezorgdheid van Albert om zijn leger is overigens 'voor één keer een legende die overeenkomt met de waarheid'.

Gedetailleerd en met groot inlevingsvermogen beschrijft Sophie de Schaepdrijver, docent moderne Europese geschiedenis aan de universiteit van New York, de oorlog die België niet had zien aankomen. Het land was immers neutraal, dat hadden de grote mogendheden in 1839 gegarandeerd. Toen Duitsland in augustus 1914 toch aankondigde het Belgisch grondgebied te willen schenden om zich een doortocht naar Frankrijk te verschaffen, werd deze indirecte oorlogsverklaring aanvankelijk enthousiast onthaald. Onder invloed van Nietzsche was volgens De Schaepdrijver bij velen een verlangen gegroeid naar een heldhaftig leven. Patriottische liederen werden aangeheven, vlaggen uitgestoken en vrijwilligers meldden zich aan voor het leger.

Al gauw bleek het leven in oorlogstijd verre van heldhaftig. België, dat slecht op de oorlog was voorbereid, bood wat langer verzet dan verwacht. Maar vanaf oktober was het land, met uitzondering van het stukje aan de IJzer, bezet. Duitse militairen, nerveus door een hardnekkige mythe over volksguerrilla's, traden hard op tegen de bevolking. Iedere tegenslag en elk verdwaald schot werd op burgers gewroken. Honderdduizenden Belgen vluchtten, onder meer naar Nederland waar ze in kampen terecht kwamen. De Duitsers beschouwden België als een kolonie, een wingewest waar vrijwel alles van waarde werd gevorderd. Zelfs onder gegoede burgers heerste schaarste: als ze bij elkaar op bezoek gingen namen ze zakjes aardappels mee in plaats van bonbons.

Blubber

Die ontbering was draaglijk vergeleken bij het leven aan het IJzerfront. Aanvankelijk verdedigden de soldaten zich vanuit een soort holen die voortdurend onder water liepen. Later werden deze verbouwd tot echte loopgraven met een totale lengte van 400 kilometer. Alles was er voortdurend bedekt onder een laag blubber. 'Ik vervloek de eeuwige regen die de Vlaamse lucht op ons neerstort', schreef een Duitse onderofficier in 1915. Vergeleken bij de 'hel van Verdun' of de Britse offensieven bij Ieper was het oorlogsgeweld aan de IJzer beperkt, maar het was wel het ongezondste front in het Westen. Eenderde van de ongeveer twintigduizend doden werden er geveld door ziekten als tyfus of longontsteking.

De bedevaartgangers, die nu nog elke augustus naar de IJzerweide komen, herdenken er niet alleen de gevallenen maar ook de Vlaamse actie die aan het front werd geboren en die na de oorlog de Frontbeweging werd genoemd. Aanvankelijk was deze actie bedoeld voor 'zedelijke en Vlaamse verheffing' van de soldaten, maar naar verloop van tijd werd ze anti-Belgisch. 'Een nieuwe godsdienstig-nationale herdenkingsliturgie groeide', schrijft De Schaepdrijver, 'een liturgie waarin Vlaanderen gaandeweg de plaats innam van België als het vaderland waarvoor de Vlaamse doden waren gevallen.' Het Vlaams ontwaken aan het front moet niet worden overdreven, meent de historica. 'Na de oorlog zou de Frontbeweging uitgroeien tot de alles beheersende realiteit van het IJzerfront, tot IJzer synoniem werd met Vlaamse Dageraad. Maar in werkelijkheid was 'Vlaanderen' niet de Alfa en de Omega van de Vlaamse oorlogservaring'. Veel oorlogsdagboeken en herinneringen maken er geen gewag van.'

In het bezette België speelde Duitsland bewust in op het Vlaamse separatisme, dat vooral leefde bij de zogeheten activisten. In 1917 werd een bestuurlijke scheiding doorgevoerd tussen Vlaanderen en Wallonië - een voorloper van de huidige verdeling van België in gewesten. De collaborerende Vlaamse overheid, de Raad van Vlaanderen, moest de autonomie verder uitwerken. Maar de door de bezetter opgelegde vervlaamsing was niet bepaald populair. Toen het Nederlands tot enige ambtelijke taal in Vlaanderen werd uitgeroepen, werden uit protest alleen clandestien gedrukte Franstalige formulieren gebruikt. Verkiezingen voor de in december 1917 uitgeroepen staat Vlaanderen leidden tot massale tegendemonstraties. In de Duitse Flamenpolitik paste de vernederlandsing van de universiteit in Gent - vóór de oorlog de centrale eis van de Vlaamse beweging. Maar ook hiervoor was het enthousiasme beperkt. Hoogleraren moesten onder meer uit Nederland worden aangetrokken. 'De Flamenpolitik was mislukt', constateert De Schaepdrijver.

Vlaamse kwestie

In De Groote Oorlog geeft Sophie de Schaepdrijver niet een nieuwe visie op België in de Eerste Wereldoorlog. Haar kracht ligt vooral in de levendige beschrijvingen, vaak gelardeerd met uitlatingen van betrokkenen zoals haar eigen overgrootvader die de oorlog in ging met de woorden: 'ik ga er ook een portie omver schieten.' De Schaepdrijver beschrijft de Eerste Wereldoorlog als een definitieve breuk met het Belgische ancien régime, waarvan de eerste scheuren zich al aftekenden in de twee decennia voor de oorlog. In 1918 had de oligarchie definitief afgedaan: het algemeen enkelvoudig (mannen-)kiesrecht werd onmiddellijk na de wapenstilstand door koning Albert aangekondigd en bij de verkiezingen van 1919 werden de socialisten de op een na grootste partij. Het minimumloon werd ingevoerd, de achturige werkdag en een progressieve belasting op inkomsten.

Tegelijk met de sociale kwestie was in de decennia voor de oorlog de 'Vlaamse kwestie' een item geworden. Maar het Vlaamse streven kwam gehavend uit de oorlog: vervlaamsing werd in verband gebracht met bezetting. In het openbaar Nederlands spreken was voldoende om van collaboratie beschuldigd te worden. Gaandeweg echter konden de verguisde activisten delen in de heroïek van de Vlaamse oudstrijders van de Frontbeweging. Beide groepen werden als martelaar afgeschilderd: de Vlaamse soldaten die in de 'eentalige moordmachine' waren vernietigd en de activisten die wegens collaboratie door de overheid werden gestraft. Zo werd de mythe geboren van Vlaamse jongens die de dood waren ingejaagd door hun Franstalige officieren. Hoe de twee stromingen samensmolten, bleek in 1920 toen radicale Vlaamsgezinden een eigen dodenherdenking organiseerden, los van de Belgische: de eerste IJzerbedevaart.