De spoken van gisteren; Moderne Portugese literatuur

Portugal is dit jaar 'Schwerpunkt' op de Frankfurter Buchmesse. Het land ontwaakt langzaam uit een droom en moderniseert op een wijze die tien jaar geleden niet voor mogelijk werd gehouden. Maar de spoken van het verleden - de ontdekkingsreizen, het Salazarregime, de bloedige koloniale oorlogen - waren nog rond. De hedendaagse Portugese literatuur, gekenmerkt door melancholie en vergeefsheid is daar nog lang niet klaar mee. Een overzicht.

António Lobo Antunes: Het handboek van de inquisiteurs. Uit het Portugees vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens. Ambo, 379 blz. ƒ 39,90 Almeida Faria: De veroveraar. Vertaling en nawoord van August Willemsen. Meulenhoff, 110 blz. ƒ 36,90

'Ik kom uit een land dat niet bestaat', verzuchtte de Portugese schrijver António Lobo Antunes onlangs tijdens een interview. De reden? In een vliegtuig had zijn Amerikaanse buurman hem gevraagd: 'Is Portugal very far from Lisbon?' Een vraag die Nederlanders ('Is Holland the capital of Denmark?') niet erg verrassend zal voorkomen, maar Portugezen kan ze diep aan het eigen bestaansrecht doen twijfelen. Een land aan de rand van Europa zijn ze, bijna al niet meer behorend tot de beschaafde wereld en de moderne tijd. Verzonken in indolentie en het eigen verleden, zachtjes klagend dat ze niet meer zijn dan ze zijn. Of wat ze ooit waren.

Ooit waren ze zeevaarders, ontdekkers en veroveraars, met een ondernemingszin die hun taal tot de vijfde van de wereld heeft gemaakt. Maar die taal ontleent haar status al lang niet meer aan het moederland. Brazilië heeft het overvleugeld: in aantal, in aanzien en zelfs in literaire uitstraling. Schuchter zijn de afgelopen decennia de andere voormalige kolonies gevolgd, vooral in Afrika (Angola, Mozambique), waar langzaam een onafhankelijke literatuur begint te ontstaan.

Het moederland bleef ontredderd achter, verlamd door een dictatuur die meer dan veertig jaar de illusie trachtte hoog te houden dat er nooit iets zou veranderen. En door een koloniale oorlog die door die illusie was ontstaan en omwille daarvan tegen de klippen op werd voortgezet. De Anjerrevolutie van 1974 maakte een einde aan de oorlog, maar er was de toetreding tot de Europese Gemeenschap voor nodig om het land economisch en dus sociaal weer in beweging te brengen. Portugal toont inmiddels een moderner gezicht dan tien jaar geleden nog voorstelbaar leek. Maar de literatuur lijkt dat nog nauwelijks te hebben ontdekt. De literatuur worstelt, op uiteenlopende manieren, nog altijd met het verleden.

Inquisitie

Toegegeven, ze doet dat een enkele keer op schitterende wijze. Het handboek van de inquisiteurs van Lobo Antunes, waarvan zojuist een Nederlandse vertaling verschenen is, is er een goed voorbeeld van. In een vijftal 'Verslagen', steeds met een andere figuur in de hoofdrol, schildert het boek de nog bijna feodale wereld van het Portugal onder Salazar en de jaren van verwarring die volgden op de Anjerrevolutie. Centraal in het boek staat een van Salazars ministers, een grootgrondbezitter met alle grofheid, tirannie en seksuele vraatzucht van de landheer wiens woord wet is. Rond hem cirkelen zijn heimelijk verliefde huishoudster, zijn buitenechtelijke dochter, zijn jonge minnares en zijn tot indolentie gedoemde zoon. Zij doen vanuit hun eigen gezichtspunt verslag van hun leven met de oude man, die zich, ontgoocheld door de opstand van zijn eigen troepen, eenzaam insluit in zijn landhuis en tenslotte eindigt in een tehuis voor bejaarden, machteloos gevoederd en verschoond.

Het boek zou de literaire gemeenplaats van de voosheid der machtigen niet hebben overstegen als Lobo Antunes de verschillende stemmen in het boek niet elk zo'n trefzekere toon had gegeven. En vooral wanneer hij niet op zo'n subtiele manier had laten zien hoe ieder zich in deze verkalkte maatschappij op zijn eigen wijze schuldig maakt: door opportunisme, hebzucht, kleingeestigheid, standsbewustzijn of doortraptheid. De oude man, ongetwijfeld de meest in het oog lopende schurk van allen, wordt er weliswaar niet sympathieker door, maar roept tegen het slot van het boek wel een onmiskenbaar mededogen op, dat Lobo Antunes op geraffineerde wijze manipuleert. Weten wij uiteindelijk wel zo zeker waar het kwaad zich ophoudt?

Ook in de twaalf romans die Lobo Antunes tot nu toe geschreven heeft (de twaalfde is onlangs in Portugal verschenen) speelt het verleden een allesbeheersende rol. Dat was al zo in het boek waarmee hij nationale en internationale faam kreeg, de zes jaar geleden in het Nederlands vertaalde Judaskus uit 1979. Dat was een monoloog, uitgesproken door een veteraan uit de Afrikaanse oorlog, die een nacht lang doorzakt met een vrouw die hij in een bar in Lissabon ontmoet. Schrikbeelden uit de Afrikaanse horreur en walging over een zinloos geworden bestaan doortrekken het boek. Na de morele kaalslag van een absurde, mateloos wrede oorlog bloeien er zelfs in Portugal geen bloemen meer.

Datzelfde thema beheerst ook zijn zeshonderd bladzijden dikke Fado Alexandrino uit 1983. Alleen is de monoloog daarin een polyloog geworden: een handvol oud-soldaten vertelt hun belevenissen in Afrika en het Portugal van voor en na de Anjerrevolutie. Zijn eigen toon vond Lobo Antunes pas in de jaren negentig, met de 'Benfica-trilogie', die zich afspeelt in de betere burgerkringen van Lissabon en daarvan, nogal uitzonderlijk in de Portugese literatuur, het huidige, modern-geworden bestaan schildert. Die eigen toon was echter vooral van stilistische aard. Altijd al sterk gericht op het beschrijven van de bewustzijnsstromen van zijn personages, ging Lobo Antunes impressionistischer en muzikaler schrijven. Zijn alinea's werden meer en meer onderbroken door woorden of zinsneden (vaak flarden dialoog) die als een refrein terugkeerden, terwijl de interpunctie schaarser werd, omdat je die in het klinken van gesproken taal ook zelden hoort.

Die eigenzinnige manier van schrijven is de derde reden waarom Het handboek van de inquisiteurs zo'n bijzondere ervaring is. Hoewel het procédé eerst wat onwennig aandoet, wordt het na een tiental bladzijden volstrekt natuurlijk, dankzij de vloeiende vanzelfsprekendheid waarmee Lobo Antunes de ene zin uit de andere laat opkomen en die ook in de Nederlandse vertaling rimpelloos gebleven is. Daarmee ontsnapt het boek aan het verwijt van 'literatuurderigheid' dat de hedendaagse Portugese letteren (onder anderen door August Willemsen) wel voor de voeten geworpen is.

Dat verwijt treft maar zeer ten dele doel in het inventieve werk van José Cardoso Pires, die in zijn roman De kroonprins (1968, vertaling 1993) de nadagen van het Portugese grootgrondbezit beschrijft en zichzelf als verteller tegelijk voortdurend ironisch onderbreekt. Wispelturiger was zijn veelgelezen Ballade van het Hondenstrand (1982, vertaling 1990): een mengsel van roman noir, journalistiek verslag en (al dan niet gefingeerde) gerechtsstukken en processen-verbaal. Met die wisseling van genres en perspectieven liep het verhaal, geïnspireerd op een politionele moord onder het bewind van Salazar, weliswaar keurig aan de leiband van het modernisme, maar een literaire trukendoos werd het niet. Ondanks alle stijlcapriolen heeft Cardoso Pires de (politieke) strekking van het boek steeds zichtbaar weten te houden.

Dat gold in veel mindere mate voor de succesvolle schrijfster Lidia Jorge, die zichzelf in haar roman De kust van het gemurmel (1988, vertaald in 1991) als docente literatuurwetenschap merkbaar in de weg zat. Haar beschrijving van het wezenloze kolonistenbestaan in de Afrikaanse gebiedsdelen, met een schimmige oorlog op de achtergrond, is intrigerend, maar wil te mooi en te 'doorwerkt' zijn om te overtuigen. Wat minder storend, maar nog altijd merkbaar, was dat het geval in haar eerdere roman De dag der wonderen (1980, vertaling 1996), net als in de in Portugal met de hoogste onderscheiding bekroonde roman Gelukkige mensen met tranen (1988, vertaling 1991) van de van de Azoren afkomstige João de Melo.

Behoeftige dorpsleven

Beide boeken ontlenen hun charme aan hun beschrijving van het behoeftige Portugese dorpsleven, dat moeizaam in contact komt met de moderne wereld: bij Jorge dankzij de Anjerrevolutie (die na een eerste opwinding het levensritme nauwelijks beroert) en bij Melo dankzij de persoonlijke, grotendeels autobiografische Werdegang van de hoofdpersoon. Deze stijgt als boerenjongen weliswaar tot grote universitaire en literaire hoogten, maar betaalt daarvoor de prijs van vervreemding van zijn afkomst en een knagend gevoel van misplaatstheid.

Melo had een illustere voorganger: de twee jaar geleden op bijna negentigjarige leeftijd overleden Miguel Torga, die in zijn dikke auto-document De schepping van de wereld (in zes afleveringen of 'dagen' verschenen tussen 1937 en 1981) zijn eigens levensgang beschreef. Torga werd vooral bekend als chroniqueur van het Portugese leven op het land, waarvan hij zelf afkomstig was. Zo ademt de bundel Verhalen uit de bergen (1941), zijn enige boek dat tot nu toe in het Nederlands verscheen (in 1993), een rauw fatalisme en een ongemakkelijk makende onbestemdheid, die vooral wordt veroorzaakt doordat Torga zijn verhalen niet met een sterke pointe afsluit. Het drama voltrekt zich voor onze ogen, maar het leven gaat door alsof dat niets uitmaakt. Gebeurt er wel iets? Misschien is het leven niet meer dan één lange teloorgang: mislukte kansen, verloren jeugd, oningeloste beloften.

Die melancholie ligt de Portugese literatuur goed, of ze nu de vorm krijgt van Torga's inkijkjes in een tijdloze onbeweeglijkheid die bijna onverschilligheid lijkt, of in de intimistische vertellingen van Vergilio Ferreira, wiens prachtige roman Voorgoed (1983) vorig jaar in het Nederlands verscheen. Het bestaan is een eeuwig verliezen, ook voor Ferreira's oudgeworden hoofdpersoon. Een boek lang mijmert hij over de vergeefsheid van het leven dat achter hem ligt, besprongen door spoken uit het verleden en herinneringen die zich hebben vastgelegd in het huis waarin hij zich heeft teruggetrokken en dat ook zelf langzaam een ruïne wordt.

Toch ontbreekt ook de felheid in de Portugese letteren niet, al wordt die vaak weinig op prijs gesteld. Jorge de Sena kon er van meepraten. Al in de jaren veertig keerde hij zich heftig tegen het literaire leven in zijn vaderland, dat in zijn ogen niet kon tippen aan de illustere tijden van Camo en zelfs nog Pessoa. Zijn rebellie, ook op het politieke vlak, dwong hem ertoe uit te wijken naar Brazilië en de Verenigde Staten. Daar kwam zijn meest bijtende proza tot stand: naast talrijke essays vooral zijn autobiografische roman Tekens van vuur, die - nog onvoltooid - pas in 1984, zes jaar na zijn dood, verscheen en in 1995 werd vertaald. Het is een afrekening met zijn eigen afkomst, uit een bigotte en achterbakse bourgeoisie. Toch stelt het boek enigszins teleur: hoeveel van dat soort afrekeningen heeft de literatuur inmiddels al niet gezien?

Opvallender was Sena's kleine mysterieboekje De wonderdokter (1966) dat in 1994 in het Nederlands verscheen en teruggrijpt op middeleeuwse 'duivelvertellingen'. Vooral in zijn immorele vrolijkheid getuigt het van een zeer on-Portugese levenslust, die alleen zijn weerga vindt in het werk van José Saramago, Portugals bekendste schrijver van dit ogenblik. Saramago is de meester van de ontheiliging, vooral wanneer het om historische mythen gaat. Het eerbiedwaardige verleden is bij Saramago nooit imposant, maar altijd het product van geheime dwaasheid, grillen en grootheidswaan.

Zo blijkt de bouw van het klooster van Mafra, Portugals nationale trots, in Memoriaal van het klooster (1983, vertaling 1990) een bevlieging van een megalomane vorst. De inname van het moorse Lissabon door christelijke troepen in 1147 wordt in Het beleg van Lissabon (1989, vertaling 1996) herverteld zonder een spoor van de gebruikelijke retoriek. En zelfs de geschiedenis van de oorsprong van het christendom moet er in Het evangelie volgens Jezus Christus (1991, vertaling 1993) aan geloven en wordt een vlucht van zelfingenomen kortzichtigheid waaraan niemand ontsnapt behalve de Duivel misschien.

Populariteit

De aanstekelijke humor waarmee Saramago de geschiedenis tot brandhout slaat is waarschijnlijk de belangrijkste reden voor zijn populariteit en voor de tegenstand die hij, vooral van officiële zijde, ondervindt. Men onttakelt nationale en religieuze mythen nu eenmaal niet straffeloos, vooral in een land dat zijn onbehagen over het onbetekenende heden compenseert met een nostalgisch staren naar het verleden. Ook Lobo Antunes mocht dat ervaren, toen hij in zijn burleske roman De karvelen (1988) de oude zeevaarders en veroveraars, als in een omgekeerde expansie, liet terugkeren naar het moederland dat daarvan allerminst gediend was.

Die ironie ligt ook ten grondslag aan de zojuist vertaalde novelle De veroveraar (1990) van Almeida Faria. Het is het verhaal van de jonge Sebastião, die in alle opzichten een reïncarnatie lijkt van de jong gestorven Portugese koning van diezelfde naam, wiens lijk nooit werd teruggevonden en die als een onsterfelijke belofte de Portugese nationale mythologie inging. Ooit zou hij terugkeren om het land te herstellen in zijn oude grootheid. Maar de jonge Sebastião is geen landveroveraar. Als hij al iets verovert, dan zijn het vrouwen, die hij met zijn appetijtelijk geslacht overtuigend weet te plezieren, maar waarvan de verovering niet beklijft. Aan het eind van het boek staat hij met lege handen: 'Ik weet nog steeds niet wie ik ben', alsof zich in hem toch nog het Portugese lot weerspiegelde. Wanneer de fixatie op het verleden is doorbroken, ligt de toekomst open als een braak terrein.

Ooit was het uitzicht voor Almeida Faria minder ongewis. Hij debuteerde in 1965 met de roman Passie, waarvan in 1991 een Nederlandse vertaling verscheen. Het was ogenschijnlijk de zoveelste deprimerende schets van een wereld die gestold was in een eindeloze poging zichzelf te overleven, die zij zelf voor stabiliteit aanzag. Maar aan het eind van het boek droomde de jonge Faria nog van opstand en wedergeboorte: niet die van het christelijk geloof dat de sfeer in het hele boek nog beheerst (het speelt op Goede Vrijdag, vlak voor de Opstanding van het Paasfeest), maar van een sociale revolutie. In de laatste hoofdstukken beginnen marxistische termen de religieuze te vervangen.

Die vastbeslotenheid is er in De veroveraar niet meer. Na de Anjerrevolutie bleek ook het communisme geen aantrekkelijke marsroute. Men kan het verleden wel vernietigen, maar daarmee heeft men nog geen nieuwe identiteit. En ook de literatuur heeft daar in Portugal nog geen antwoord op. De spoken van vroeger waren er nog te levensecht voor rond, en daar heeft zij voorlopig haar handen nog aan vol.

Lobo Antunes heeft ongelijk: Portugal bestaat wel. Maar voor zover het de literatuur betreft, alleen in het verleden.