De ontluistering van Ronald Reagan; Sluimeren in het Witte Huis

William Pemberton. Exit with Honor. The Life and Presidency of Ronald Reagan. Sharpe, 295 blz. ƒ 64,65

Lawrence E. Walsh. Firewall. The Iran-Contra Conspiracy and Cover-Up. Norton, 544 blz. ƒ 65,60

Richard Darman. Who's is Control? Polar Politics and the Sensible Center. Simon and Schuster (1996), 384 blz. ƒ 58,75

Margaret Thatcher mag dan hebben geschreven dat Ronald Reagan voor haar 'de Amerikaanse droom in actie' was, naaste medewerkers van de president wisten hoe dit moest worden opgevat. Reagan had vooral behoefte aan rust. Hij was niet zozeer dom of lui - opdrachten van ondergeschikten voerde hij juist pijnlijk nauwgezet uit - alswel afwezig en op het vegetatieve af passief. Het was het dirty little secret van het Witte Huis in de jaren tachtig: de Grote Communicator was soms nauwelijks in staat met zijn naaste omgeving te communiceren. Degenen die de nu 86-jarige Reagan kenden uit de periode dat hij gouverneur was van Californië - adviseur Edwin Meese, assistent Michael Deaver, echtgenote Nancy - wisten dat hij functioneerde bij de gratie van een regelmatig, gereglementeerd en afgeschermd leven.

Was hij om de een of andere reden gedwongen van zijn dagelijkse routine af te wijken, dan was een andere Reagan te zien: een afgematte oude man die moeite had met het formuleren van de simpelste zinnen en het onder woorden brengen van eenvoudige gedachten. Washington Post-journalist Lou Cannon en Hedrick Smith van de New York Times maakten kennis met de niet-geregisseerde Reagan na afloop van de conferentie van de zeven rijke industrielanden in Ottawa in 1981. De president, die tijdens de tweedaagse bijeenkomst het volle programma had meegedraaid, was dodelijk vermoeid. Al na de eerste vraag was duidelijk dat van een normaal interview geen sprake kon zijn. Sterker: Reagan wist zich van de bijeenkomst niets meer te herinneren, op twee dingen na. President Mitterrand had hem aangenaam verrast met een fel anticommunistisch betoog, wat volgens hem voor een socialist 'hoogst opmerkelijk' was. En Thatcher had een aantal 'goede opmerkingen' gemaakt, waarbij hij in het midden liet welke precies. Deaver, die tijdens het interview aanwezig was, maakte na tien minuten een eind aan de bijeenkomst.

Schaduwzijde

Dankzij de memoires van Richard Darman weten we nu ook meer over een episode waarin een groter publiek kennis kon maken met de schaduwzijde van Reagan: het voor hem rampzalig verlopen eerste debat met uitdager Walter Mondale tijdens de verkiezingen van 1984. Darman was als assistent van stafchef James Baker onder meer belast met de informatievoorziening van de president. Aan hem de taak Reagan op het debat voor te bereiden. In sessie na sessie probeerde hij de president aan het verstand te brengen wat tijdens zijn eerste regeringstermijn zoal tot stand was gebracht. Het was, zei Reagan zelf, een kwestie van stampen. Leuk werk was het natuurlijk niet, en het putte hem zichtbaar uit. Nancy besloot daarom in te grijpen. De middag voor het debat bracht 'Ronnie' paardrijdend door in de omgeving van Camp David.

De rust deed Reagan in dit geval geen goed. Tijdens het debat maakte hij een hulpeloze en verwarde indruk. Het slotbetoog begon hij met de volzin: 'Ik ben volledig de kluts kwijt'. Wat volgde was daarvan het trieste bewijs: een aan alle kanten rammelend verhaal, waaraan niemand een touw kon vastknopen. Mondale concludeerde geschokt: 'We hebben geen president.' De pers speculeerde over dementie. Het Witte Huis reageerde daarna op karakteristieke wijze: via perslekken werd 'uit kringen rond de president' vernomen dat Reagan door Darman was 'gesmoord in informatie'. Nancy eiste diens ontslag. Darman wist dat lot te ontlopen door kenbaar te maken alleen te zullen vertrekken als Reagan hem persoonlijk de wacht zou aanzeggen.

Lezing van Exit with Honor, een degelijke biografie door de conservatieve historicus William Pemberton, maakt nog eens duidelijk dat Reagan meer dan andere presidenten vanaf de start van zijn politieke carrière leunde op de steun van vrienden, kennissen en zijn vrouw. Niet in elk opzicht: net als zijn voorgangers en opvolgers brandde hij van persoonlijke ambitie. En net als zij wist hij die aardig te verdoezelen. Uit eigen koker stamde ook zijn boodschap. Dat wil zeggen: hij had het niet allemaal zelf bedacht, maar stond er wel voor honderd procent achter. Als hij oreerde over de communistische vijand in Moskou die het absolute kwaad in de wereld vertegenwoordigde, dreunde hij geen lesje op maar sprak hij uit de grond van zijn hart. Hetzelfde gold voor zijn overtuiging dat de Amerikaanse bevolking in wezen deugdzaam was en vroom, inventief en creatief, hartelijk en goedgeefs. Dat het de bevolking de afgelopen vijftien jaar wat minder goed was vergaan, was zijns inziens te wijten aan de twin evils in de binnenlandse politiek: belastingen en bureaucraten. Aan hem de taak het Amerikaanse volk te bevrijden van het juk van de eigen regering.

Desinteresse

Met de retoriek zat het dus wel goed, zoals vrijwel iedereen die Reagan had horen spreken uit ervaring wist. Duidelijk is echter ook dat hij in de uitwerking van zijn boodschap - in de praktijk van het landsbestuur - niet was geïnteresseerd. Deze desinteresse is door bewonderaars wel uitgelegd als bewijs dat hij in praktijk bracht wat hij predikte, namelijk de ontbinding van Big Government. Maar dat valt moeilijk vol te houden, aangezien het aantal ambtenaren en departementen tijdens zijn presidentschap toenam en de overheidsuitgaven als aandeel van het bruto nationaal produkt gelijkbleven. Hooguit is het een bewijs voor de stelling dat de Verenigde Staten het ook zonder president konden stellen. Maar dat zou juist weer indruisen tegen het beleid dat erop was gericht het prestige van het ambt te herstellen, nadat het onder Reagans voorganger Carter zoveel schade had opgelopen.

Achteraf is duidelijk dat rampen zoals het Iran-contra schandaal in zijn eerste termijn uitbleven doordat Reagan zich toen omringd wist door drie adviseurs die hem nooit uit het oog verloren, hem zo nodig tegen zichzelf in bescherming namen en hem door en door kenden. Stafchef James Baker mocht dan, als vriend en vertrouweling van George Bush, laat aan de entourage van Reagan zijn toegevoegd, zijn politieke en bestuurlijke capaciteiten bleken onmisbaar. Michael Deaver, Bakers assistent, bepaalde in samenspraak met Nancy Reagan hoe en wanneer de president zich aan de wereld zou vertonen. En Edwin Meese onderhield de contacten met Reagans natuurlijke achterban, de conservatieve ideologen. Baker, Deaver en Meese waren overeengekomen dat in elk geval één van hen bij elke vergadering met de president aanwezig zou zijn. Zo bleven onaangename verrassingen uit en kon Reagan - indien nodig - na afloop worden 'bijgepraat' en gestuurd.

Helden

De weg naar Iran-contra werd ingezet na Reagans herverkiezing. Baker, Meese en Deaver vertrokken uit het Witte Huis. Meese werd minister van Justitie, Deaver lobbyist. Baker wisselde van functie met minister van Financiën Donald Regan, een ruil waarbij de president niet was betrokken, maar die als voldongen feit zijn hartelijke goedkeuring wegdroeg. Reagan en Regan konden het persoonlijk goed met elkaar vinden, maar Regan miste Bakers inzicht in het karakter van de president. De nieuwe stafchef was het prototype van de selfmade man: opgegroeid in een arm gezin in Boston, daarna een carrière als beursspeculant op Wall Street. Hij was bovendien een oorlogsheld die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog als marinier had onderscheiden.

Reagan had een zwak voor helden, met name als ze een militair uniform droegen. Tijdens zijn tweede termijn kregen ze volop de kans zich te profileren. Naast Regan waren er de veiligheidsadviseurs Robert McFarlane en John Poindexter, CIA-directeur William Casey, overste Oliver North en de gepensioneerde generaals Richard Secord en John Singlaub. Reagan was meer hun Commander-in-Chief dan hun president. Zij voerden orders uit, en gaven vooral geen ongevraagd en tegendraads advies.

Het is waarschijnlijk onvermijdelijk, maar ook onfortuinlijk, dat de Iran-contra affaire in navolging van Watergate uitdraaide op de vraag: wat wist de president, en wanneer wist hij het? Onvermijdelijk omdat de echo's van het vorige schandaal te sterk waren en een uiterst complexe zaak er voor het publiek begrijpelijk en spannend door werd gemaakt. Onfortuinlijk omdat vanaf het begin min of meer duidelijk was dat Reagan enerzijds van vrijwel alles op de hoogte was geweest, en anderzijds van bijna niets wist.

Toen hij hoorde van de mogelijkheid om via contacten met gematigde elementen in Iran de Amerikaanse gevangenen op vrije voeten te krijgen, aarzelde hij geen moment. Het was te mooi om waar te zijn, en juist daarom voor Reagan onweerstaanbaar. Zou hij niet handelen, zei hij tegen minister Weinberger van Defensie - die het initiatief bijna te idioot voor woorden vond - dan zou de grote en sterke president Reagan de mogelijkheid hebben laten liggen om de gijzelaars vrij te krijgen.

Wat voor de gijzelaars gold, was tevens van toepassing op de contra's, het door de CIA georganiseerde verzet tegen de Sandinistische regering in Nicaragua. Hij beschouwde deze vrijheidsvechters als het morele equivalent van de Amerikaanse aartsvaderen. Medewerkers kregen opdracht het verzet in leven te houden, nadat het Congres militaire hulp via wetgeving had verboden.

Grenzeloos vertrouwen

Met de details en het verdere verloop van beide operaties liet hij zich hooguit sporadisch in. Zoals op alle andere terreinen had hij een grenzeloos vertrouwen in hetgeen zijn ondergeschikten in zijn naam uitvoerden. Waar hij niets van wist - totdat uit een memo of memorandum alsnog het tegendeel blijkt - is het doorsluizen van een deel van de winst gemaakt met de verkoop van wapens aan Teheran, naar de contra's. Juist dit onderdeel werd door minister van Justitie Meese en de Amerikaanse pers gezien als de kern van de affaire.

Lawrence Walsh heeft zich als onafhankelijk aanklager bijna zeven jaar met Iran-contra bezig gehouden. Na vier tussenrapporten en een vuistdik eindverslag heeft hij nu ook zijn persoonlijke gedachten over de affaire opgeschreven. Het is geen gelukkig boek geworden. Zo meent hij zeker te weten dat Reagan heeft geweten van het doorsluizen van het geld. Als bewijs neemt hij zijn toevlucht tot de fysionomie. Reagan klonk wel kwaad toen hij tijdens een televisierede in augustus 1987 Poindexter - de opvolger van McFarlane - verweet hem hierover in het duister te hebben gehouden, doch uit zijn gezicht 'sprak geen woede, maar berouw'. Het kan niet anders, concludeert Walsh, dat Poindexter of Casey het Reagan heeft toevertrouwd, 'hoe versluierd ook'. In dezelfde geest schreef McFarlane in zijn memoires Special Trust dat Reagan - die 'het concentratievermogen van een fruitvlieg' had - waarschijnlijk door Poindexter van een en ander op de hoogte was gebracht, er even over had nagedacht, en het vervolgens weer was vergeten. Zo is het misschien gegaan. Maar als 'bewijs' is het aan de magere kant.

Walsh heeft met volharding en veel speurwerk de dagboekaantekeningen van Weinberger, Bush en een medewerker van minister van Buitenlandse Zaken Schultz over de affaire boven water gekregen. Ze zijn van grote waarde voor historici. Daarnaast moet worden geconstateerd dat, naarmate zijn onderzoek vorderde, hijzelf verder van de waarheid verwijderd raakte. Die luidt dat degenen die regelmatig met Reagan te maken hadden, hooguit een schatting konden maken of datgene wat ze hem hadden meegedeeld, ook daadwerkelijk tot hem was doorgedrongen. En of hij het vervolgens ook zou onthouden.

'Who was in control?', vraagt Richard Darman zich voortdurend af. Zijn conclusie: 'het systeem', gestuurd door een aantal briljante adviseurs, onder wie Darman zelf. Reagan niet, of niet in de eerste plaats. Darman beschouwt zich met begrotingsdirecteur David Stockman als de architect van wat - samen met de onderhandelingen met Sovjet-leider Michael Gorbatsjov - als het grootste beleidsmatige succes van Reagans presidentschap wordt beschouwd: de verlaging van de loonbelasting in 1981. Pas op de derde plaats van de tien redenen waarom die verlaging werd bereikt noemt hij Reagan zelf, en dan slechts zijdelings: de president was volgens hem een vertrouwenwekkend man, die de bevolking op haar gemak stelde.

Alzheimer

Aan het slot van Exit with Honor speculeert Pemberton over het begin van Reagans ziekte van Alzheimer. Maar liefst vier artsen, onder wie degene die hem de laatste vier jaar in het Witte Huis onderzocht, verklaarden nog vorige week eendrachtig in de New York Times dat hij tijdens zijn presidentschap geen verschijnselen van de ziekte vertoonde. Dat mag zo zijn, een gezonde Reagan was voor zijn adviseurs al erg genoeg. Nooit wisten ze in welke staat ze hem zouden aantreffen: sluimerend, vergeetachtig of gedesinteresseerd. Hij was nu eenmaal geen gewone president, meent Pemberton.

De biograaf noemt de acht jaar die Reagan in het Witte Huis doorbracht 'de gelukkigste' van diens leven. Wie zal het ontkennen? Zijn medewerkers draaiden op voor het zware werk: het interpreteren van zijn uitspraken, het omzetten daarvan in beleid, de onderhandelingen met het Congres, met Sovjet-delegaties. 'Reagan besliste', heeft adviseur Martin Anderson geschreven, 'als een antieke koning of een Turkse pasja, die zich door zijn ondergeschikten liet bedienen, en alleen die lekkernijen van het beleid uitkoos die hem bijzonder smakelijk leken. Zelden stelde hij scherpe vragen of wilde hij weten waarom iemand iets had gedaan of nagelaten. Kalm en ontspannen wachtte hij tot hij op de hoogte werd gebracht van belangrijke zaken.'

Een van die zaken werd hem niet aangereikt, of het moet van hogerhand zijn geweest. Vlak voor zijn eerste ontmoeting met Gorbatsjov in november 1985 in Genève had hij een ingeving. De Sovjet-leider werd daarvan tijdens het fameuze onderhoud bij de open haard in een boothuisje aan het Meer van Genève op de hoogte gebracht. Hij werd er door Reagan op gewezen hoe makkelijk het zou zijn samen te werken in het geval van 'een aanval van andere wezens, van een andere planeet, van buiten, in het heelal... We zouden dan de kleine verschillen die er tussen onze landen bestaan moeten opgeven, en we zouden voor eens en altijd tot de conclusie komen dat we het als mensen samen op aarde moeten zien te rooien'. Goed beschouwd is het een wonder dat de Muur pas vier jaar later viel.