De Booker Prize van Arundhati Roy; Wreedheid als sleutel tot de liefde

Arundhati Roy: The God of Small Things. Flamingo, 340 blz. ƒ 51,75. Vertaald door Christien Jonkheer (De God van Kleine Dingen), Prometheus, ƒ 39,90

De eerste Indiër die de Booker-prijs won was Salman Rushdie in 1981, maar die woonde al zolang in Engeland dat het voor India als het ware maar half telde. Bovendien heeft Rushdie altijd een eigenaardige haat-liefde verhouding gehad met zijn moederland. Zo was India het eerste land dat zijn omstreden roman De Duivelsverzen verbood.

Arundhati Roy daarentegen, die de prijs deze week won voor haar debuutroman The God of Small Things (besproken in Boeken, 16 mei), is een onvervalst product van eigen bodem. En zo was de voldoening in India er deze keer des te groter om. Strelend voor de Indiase ziel was voorts dat Roy de prijs wegkaapte voor de neus van een reeks Britse auteurs. De Indiërs kunnen hun voormalige koloniale meesters, die het Engels in hun land introduceerden, nu zelfs verslaan in het meest Engelse wat er bestaat: hun moedertaal. De andere kant van deze medaille is dat de Indiërs zelf nog altijd geen uniforme nationale taal hebben en daarom voor onderlinge communicatie dikwijls op het Engels zijn aangewezen.

De Engelstalige Times of India, nooit vies van enige nationalistische zelfbevrediging, stelde in een commentaar tevreden vast dat Roy's prijs de erkenning inhield van 'een nieuwe Indiase gevoeligheid en zelfvertrouwen'. De krant prees het oorspronkelijke idioom van de schrijfster en trok een parallel met andere nieuwe geluiden in de Indiase samenleving: een welsprekende premier, Inder Kumar Gujral, die zich verzoeningsgezind opstelt jegens India's buurlanden, de elegantie van de jonge cricketster Sachin Tendulkar en de micro-cryptogrammen van de Indiase software-ingenieurs. 'De metafoor van wat Indiaas is, ondergaat een gedaanteverwisseling.'

Dat de 37-jarige Roy en haar boek tot een nieuwe orde behoren was de Indiërs vorig jaar al duidelijk geworden, toen bekend werd dat ze een voorschot van liefst 500.000 pond had ontvangen van het uitgeversconcern HarperCollins voor The God of Small Things. Ook naar Westerse maatstaven een vorstelijk bedrag, maar in India volkomen ongehoord. Dagenlang raakten de kranten er niet over uitgepraat. Roy zelf leek hiervan nauwelijks onder de indruk.

The God of Small Things handelt over de lotgevallen van een welgestelde Syrisch-christelijke familie tegen het lome tropische decor van een provincieplaatsje in de deelstaat Kerala in het zuiden van India, waar Roy zelf vandaan komt. Er is een moeder, Ammu, die, zo blijkt gaandeweg, na een mislukt huwelijk aan de andere kant van India, met haar jonge tweeling in de ouderlijke woning is teruggekeerd. Een grotere schande is in het conservatieve India voor een vrouw nauwelijks denkbaar en de rest van de familie laat haar dat ook merken. De tweeling, de jongen Estha en het meisje Rahel, voelen de vernedering eveneens.

Maar er bevinden zich meer 'mislukte' personen in de woning van de familie Kochamma. Zo is er Ammu's broer Chacko, die tijdens zijn studie in Oxford verliefd werd op een Engelse en haar huwde. Na een tijdje besloot zijn Engelse vrouw hem echter in te wisselen voor een Engelse Joe en gedesillusioneerd reisde Chacko terug naar Kerala. Dan is er de karikaturale Baby Kochamma, een tante op leeftijd wier jeugdliefde voor een Engelse priester nimmer beantwoord werd. Na een periode als non, leidt zij het bestaan van een venijnige, hevig gefrustreerde oude vrijster.

De enige die haar leven serieus op een ander plan probeert te brengen is Ammu, die zich in een stormachtige liefdesaffaire begeeft met een klusjesman in het ouderlijk huis, die altijd op alles raad weet: 'The God of Small Things'. Een bij uitstek Indiase dimensie aan deze relatie is dat de man, Velutha genaamd, kasteloos is en daarmee in de ogen van de familie Kochamma onaanraakbaar.

Al vroeg in het boek wordt duidelijk dat het slecht afloopt met de minnaars. Hun ontmaskering valt samen met de verdrinkingsdood van het dochtertje van Chacko, dat samen met zijn ex-vrouw op bezoek is in Kerala. 'The God of Small Things', immers een kasteloze, wordt met verbijsterende vanzelfsprekendheid door de politie ingerekend als de dader en sterft na zware mishandeling aan zijn verwondingen, kort nadat zijn affaire met Ammu is uitgelekt. Ook Ammu zelf sterft niet lang daarna, verstoten en eenzaam. De tweeling overleeft, maar is voorgoed uit zijn evenwicht gebracht.

Zoals sommige Indiase critici terecht opmerkten, wijkt het verhaal van het boek op het eerste gezicht niet wezenlijk af van dat van de goedkope filmromances waar Indiërs vanouds zo dol op zijn. Een criticus van het dagblad Indian Express hekelde Roy hierom als de 'Godin van de grote Pretenties'. 'Roy blijft een rebelse hippie uit de jaren zeventig die een zeer succesvolle roman heeft geschreven in de yuppie-jaren negentig. Ze heeft het beste van twee werelden', aldus de criticus, Parsa Venkateswar Rao Jr.

Maar The God of Small Things heeft aanzienlijk meer te bieden dan dat. Om te beginnen is er het lichte en zeer oorspronkelijke Engelse taalgebruik, dat in schril contrast staat tot de verschrikkelijke gebeurtenissen en soms een speelse, zo niet ironische toon aan het boek geeft. Hier en daar doen Roy's taalgrapjes overigens wel eens wat gewild aan.

Verder heeft Roy, van huis uit architecte, haar verhaal zorgvuldig opgebouwd. Stukje voor stukje komt de lezer meer navrante details aan de weet over de toedracht van het drama. Ze heeft kennelijk diep nagedacht over de menselijke driften, over hun haat en liefde voor elkaar, hun grootheid en hun kleingeestigheid. Subtiel verweeft ze een en ander in de tekening van haar karakters. Vooral aan het einde, wanneer de gruwelijke ontknoping tot in alle macabere details duidelijk is, krijgt de roman daardoor een welhaast episch karakter.

In een gesprek met een Indiase krant merkte Roy zelf, die nooit heeft verheeld dat haar roman deels autobiografisch is, dit voorjaar op: 'Ik heb altijd geloofd dat je werkelijke wreedheid nooit kunt begrijpen tot je hebt liefgehad. Tot je hebt gezien hoe iets waarvan je hield wordt verpletterd en gebroken. En je zult nooit weten hoe breekbaar, hoe kostbaar liefde kan zijn, tot je wreedheid hebt gekend.'