Bob Dylans eerste verzameling nieuw werk sinds 1990; De somberste cd van het decennium

Na zijn kennismaking met pericarditis en de paus is Bob Dylan terug met nieuw eigen werk, de cd 'Time Out of Mind'. De boodschap is troostelozer dan ooit, maar wordt warm onthaald. De verloren zoon uit de jaren zestig mag weer op visite komen.

Bob Dylan: Time Out of Mind (Columbia 486936)

Bij een van Bob Dylans laatste concerten in Nederland zat ze gehurkt in het betonnen gangpad van Vredenburg. Kort haar, vrijetijdskleding, een jaar of veertig. Een Dylan-fan van weleer, en kennelijk voor het eerst, of sinds lange tijd, bij een van zijn concerten. Maar terwijl Dylan zijn ballades over het schuurpapier van zijn stembanden haalde, bladerde ze koortsachtig in de vuistdikke paperback die ze op haar knieën gedrukt hield: Bob Dylan, Lyrics. De meester had ondertiteling nodig. Zijn teksten moesten worden nageslagen als foto's in een lang vergeten familie-album.

Voor Bob Dylan veranderden de tijden toen allang niet meer. De man die in de jaren zestig in een onwaarschijnlijke uitbarsting van creativiteit de popmuziek van aangezicht veranderde, deed de laatste tien jaar vooral één ding: optreden en oud repertoire uitvoeren.

Steeds ouder repertoire zelfs. In zijn concerten keerde de kameleontische vernieuwer Dylan, net als op zijn laatste twee studioplaten, terug naar de diepste wortels van zijn muziek. Naast zijn overbekende eigen werk bracht hij covers van stokoude folkballades en bluesnummers, in rauwe uitvoeringen die evenveel barsten en scheuren vertoonden als zijn eigen zangstem en gitaarspel, maar waarvan desondanks een mysterieuze betovering uitging. De betovering van verbrande schoonheid.

Met zijn 'Never Ending Tour', en zijn onwil of onvermogen zich aan te passen aan de eigentijdse muziekwereld, plaatste Dylan zich aan het eind van zijn loopbaan opnieuw in de traditie van de bluesmen en folkzangers die hem in zijn jeugd tot voorbeeld waren geweest. En zoals zijn rebellie tegen de 'gevestigde orde' hem destijds tot een vernieuwer had gemaakt, zo maakte zijn afkeer van het MTV-tijdsgewricht hem tot een traditionalist.

Op zijn cd Time Out of Mind, zijn eerste verzameling nieuw werk sinds 1990 en zijn beste plaat in jaren, kan de ondertiteling achterwege blijven. Dylan zingt weer verstaanbaar, maar daarom nog niet vrolijk - dit moet een van de somberste platen zijn die een popartiest in de jaren negentig heeft afgeleverd. Er zijn flarden van meewarige humor, zoals in het merkwaardig ontroerende 'Tryin' to get to heaven (before they close the door)', maar vooral wanhoop en berusting vechten hier om voorrang. En er is zijn roestige, vergruisde stem, die de luisteraar in het brute openingsnummer 'Love Sick' direct begroet met: 'I'm walking through streets that are dead/ walking with you in my head/ my feet are so tired, my brain is so wired/ and the clouds are weeping'.

Daarmee is de toon gezet. Dylan heeft 'no place left to turn', zingt hij. 'Insanity is smashing up against my soul'. En: 'Sometimes my burden is more than I can bear/ It's not dark yet, but it's getting there'. Of: 'My nerves are exploding, my body is so tense/ I feel like the whole world/ got me pinned up against the fence'. Alleen God biedt, wie weet, soelaas tegen de aanstormende waanzin: 'I know God is my shield'. Maar erg gerust klinkt zelfs die laatste hoop niet. 'I'm waist deep, waist deep in the mist/ It's almost like, almost like I don't exist.' Dylan zingt het als een mummie die door een spleet in zijn lijkwade het rotsblok voor de uitgang ziet rollen, en zich afvraagt of het niet beter is zo.

Verhullend

Voor wie de 56-jarige zanger de afgelopen jaren heeft gevolgd is het niets verhullende karakter van deze plaat geen verrassing. Hij heeft afscheid genomen van de wereld, een nieuwe manier gevonden om te zien - de droom van Arthur Rimbaud, maar gespeend van de vitaliteit die de jonge poète maudit ervan verwachtte. 'I got new eyes', aldus Dylan, en het resultaat is: 'Everything looks far away'. Een afstand die wordt onderstreept door het echo-geluid van producent Daniel Lanois, met wie Dylan bijna tien jaar eerder het verwante Oh Mercy! maakte (1989). 'It looks like I'm moving/ But I'm standing still', bezweert hij in het nummer 'Not Dark Yet'.

Voor Bob Dylan staat de wereld inderdaad stil, al een paar honderd jaar. Time Out of Mind klinkt zelfs of Dylan hem niet heeft gemaakt voor luisteraars van dit tijdgewricht, evenmin voor nostalgische adepten uit de sixties die zijn teksten tijdens een concert willen meelezen, en al helemaal niet voor zichzelf - maar voor geesten uit een ver verleden. Dezelfde geesten waar hij mee converseerde op zijn vorige twee platen Good as I Been to You (1992) en World Gone Wrong (1993), beide gevuld met covers van oude volksliedjes door vaak anonieme auteurs. Met zijn 'nieuwe' materiaal begeeft Dylan zich in hun gezelschap - weg van zijn eigen legende, terug in de anonimiteit.

Toch wordt juist deze stem uit het graf opgevat als een teken van leven. Amerikaanse, maar ook Europese kranten en tijdschriften putten zich uit in superlatieven over 'de nieuwe Dylan'. 'Een herontdekking van de Himalaya van de inspiratie', jubelde het Franse Libération. Het warme onthaal is des te opmerkelijker omdat Dylans vorige cd's in de jaren negentig, muzikale bronnen voor deze nieuwste, hier nog schouderophalend werden ontvangen. Alleen de muziekkrant Oor, zoals gebruikelijk out of touch met de tijdgeest, houdt het ook nu op een korte, zakelijke bespreking door Dylan-veteraan Bert van de Kamp.

Om de vreugde over de terugkeer van Dylan als songwriter te verklaren is begrip nodig van zijn voorgeschiedenis met het pop-publiek dat hij in de jaren zestig voor de popindustrie hielp creëren. Weinig pophelden zijn immers zo vereerd en vervolgens zo vervreemd geraakt van dat publiek, zozeer figuurlijk en letterlijk onverstaanbaar geworden. In de jaren zestig werd Bob Dylan de eerste popster met wie niet zozeer werd gedweept als tiener-idool, maar die werd aanbeden als een jonge god, wiens woorden en daden schreeuwden om exegese en evaluatie. Naarmate de revolutie verdampte, verdween hij in de coulissen. Halverwege de jaren zeventig maakte hij een come back, maar na zijn bekering tot een fundamentalistische vorm van christendom in 1979 waren de nostalgische reserves van zijn publiek uitgeput. De dertigers zochten hun heil bij vitalere generatiegenoten als The Stones of Eric Clapton, de twintigers keerden zich naar Michael Jackson en Madonna.

Uiteindelijk moet het Dylan toen zijn gaan dagen dat hem niets anders te doen stond dan een terugkeer naar zijn roots. Op Good as I Been to You en World Gone Wrong bracht hij krakende, aangrijpende covers van blues- en folksongs. Voor Dylan was die muziek altijd 'relevant' gebleven, zij het niet in de betekenis die de jaren zestig aan dat woord gaven.

Miljonairs

Dylan onttrok zich zo aan het grote recyclen in de popmuziek, dat zovelen van zijn beter geconserveerde generatiegenoten de status van beursgenoteerde miljonairs heeft opgeleverd. De Rolling Stones, The Velvet Underground, The Eagles en andere rock-senioren ondernemen sinds de jaren tachtig even megalomane als lucratieve stadiontournees. Bob Dylan trok intussen al vanaf 1988, voor een slinkend publiek, met een anonieme begeleidingsband langs honderden kleine podia, van Kalamazoo tot Kerkrade.

Het bezegelde de breuk tussen de zanger en de pop-industrie, maar voor de artiest zelf was van een breuk geen sprake. Als folkie zette hij zich in vaak bijbelse termen ('A Hard Rain's-A-Gonna Fall') af tegen de moderne wereld van kernwapens en kapitalisme, nu werden de 'New Dark Ages' van wereldwijde hype en verstrooiing doelwit van zijn misantropie. In interviews sprak hij in raadselachtige bewoordingen over zijn muziek als afkomstig uit een archaïsch verleden, toen de mensen nog verbonden waren met het land, een verstandhouding hadden met de dood, en nog niet alle huizen waren voorzien van telefoon, laat staan van televisie. Een vreemd landschap, waar ook Time Out of Mind moet zijn geboren.

Inmiddels hebben niet alleen de meeste Amerikaanse maar ook meer dan de helft van de Nederlandse gezinnen een koophuis, rijden steeds meer huishoudens in twee of drie auto's, stijgen de aandelen als nooit tevoren en wordt nu dan in de pers de wederopstanding van Bob Dylan gesignaleerd. Wat zich in die onverwachte blijde boodschap aftekent, is de verzoening van een grijzend poppubliek met hun belangrijkste held uit het verleden, die ze uit het oog verloren toen zij bij de tijd moesten blijven met loopbaan, gezin en heropvoeding per GSM, en hijzelf tot weinig meer in staat leek dan amechtige improvisaties met muziek uit de oude doos. Dylan ging niet joggen, zoals Mick Jagger, liet zijn bloed niet verversen, zoals Keith Richards, en stortte zich evenmin in romantische candlelight-muziek, zoals Eric Clapton.

Dat werd hem jarenlang niet in dank afgenomen. Nu wèl, en dat is niet zo verwonderlijk - want ondanks alle welvaart en rijkdom, of juist daardoor, maalt de tijdgeest niet meer om de vitalistische boodschap van het forever young zoals de Stones die nog, zij het steeds meer bij wijze van spelletje, uitdragen. Authenticiteit, volwassenheid en trouw zijn tegenwoordig geen deugden meer die alleen maar worden bezongen in het verkiezingsprogramma van het CDA. En de tijd dat het publiek een popmuzikant de rug toekeerde omdat hij 'in de Heer' is, zoals Dylan overkwam eind jaren zeventig, is al voorbij sinds het soul-elfje Prince in de jaren tachtig stadions vol tieners kon laten meebrullen over Jezus en Liefde.

Dat Dylans boodschap niet blij maar nog even troosteloos is als in zijn lange tijd in de woestijn, deert daarbij niet. Integendeel, het is een teken van zijn oprechtheid in een dolgedraaide wereld. Dit is geen spelletje, of een valse oefening in eeuwige jeugd, dit is hoe het leven er uitgeleefd uitziet. Na jaren van haken naar nieuw vuur, kan het poppubliek zich zodoende ten lange leste herkennen in het feit dat ook popartiesten lelijk oud worden.

In Amerika is die canonisering van Dylan al in een vergevorderd stadium: in 1988 werd hij opgenomen in de Rock and Roll Hall Of Fame, drie jaar later ontving hij een Grammy Award voor zijn complete oeuvre, en in 1992 maakten tientallen artiesten hun opwachting in New Yorks Madison Square Garden, om hem te eren in een overdadig jubileumconcert. Het was de heiligverklaring van een liedjeszanger die zelf inmiddels muzikaal gesproken weer was teruggekeerd naar een tijd lang voor zijn eigen geboorte.

Europa moest nog even wachten. Maar na de publicitaire shocktherapie van de pericarditis die hem dit jaar bijna velde ('Ik dacht even dat ik snel Elvis zou zien') en zijn huiskamerconcert voor de paus, lijkt ook het continent rijp voor een hernieuwde kennismaking met de grote verloren zoon van de eigen jeugd. Ook het verkreukelde portret van deze Dylan krijgt een plaats in het familie-album.

En Dylan zelf? In een radio-interview in 1991 ontkende hij reden te hebben om trots te zijn. 'Trots? Hoogmoed komt voor de val, dat weten we allemaal', zei hij. 'Bovendien, wat is er nou om trots op te zijn? Dat je een nieuwe plaat hebt gemaakt? Moet je dan soms ook trots zijn dat je een snelweg hebt aangelegd? Of een nieuw soort kunstmest hebt uitgevonden?' Kennelijk zijn de tijden veranderd - maar Bob Dylan niet.