Architectuur- en interieurfoto's van Jan Versnel; Een hoopvolle wereld in wording

Op de architectuurfoto's van Jan Versnel zijn levende wezens te zien en de sfeer van een tijd: het idealisme van de wederopbouw. Versnel probeerde de bedoelingen van de architecten te fotograferen.

'Jan Versnel', auteurs: Maarten Kloos, Solange de Boer. Uitgever: Focus Publishing BV. ISBN: 90-72216-91-1. Prijs ƒ 95,-.

De stoel staat als een frêle danseres met gespreide benen, op de punten van haar spitzen midden op een zware, stalen brug. De ranke rug loopt evenwijdig aan de hoog oprijzende boogconstructie, waarin een eindeloze reeks klinknagels kracht en degelijkheid benadrukt. De stoel is de 'Resultstoel' uit 1958 van de ontwerper Friso Kramer. De foto dateert uit hetzelfde jaar en werd gemaakt door Jan Versnel die daarbij plat op het brugdek moet hebben gelegen. De horizon waarachter de brug verdwijnt, valt bijna samen met de onderkant van de staande foto. De lichte, gracieuze constructie van een van de bekendste, moderne meubelen van na de oorlog, steekt donker af tegen een egaal grijze lucht.

De egaliteit van het torenhoge luchtvlak is een opmerkelijk detail op een foto van Jan Versnel. Het lijkt wel of stoel en brug in een 'vrijstaande' positie zijn gebracht waardoor het beeld de indruk van een montage krijgt. De anonieme, lege lucht was noodzakelijk om de functionele vormgeving en de technische perfectie van de stoel zo goed mogelijk te laten uitkomen. Voor de geënsceneerde produktfoto kon de fotograaf niet de Hollandse wolkenvelden gebruiken, die in zijn architectuurfotografie zo'n dramatische rol vervullen.

Bij het woord 'wederopbouw' doemen onvermijdelijk stoere, vitale beelden op van verse gebouwen in beton, staal en glas, van steigerconstructies als moderne sculpturen, van rokende schoorstenen en machtige hijskranen in hun trage bewegingen betrapt. De robuuste beelden van de hoopvolle, naoorlogse wereld in wording vereisen grote formaten. De kleinere afmetingen zijn bijvoorbeeld bestemd voor het stralend nieuwe warenhuis op de Rotterdamse Lijnbaan waar vrolijke vrouwen met wapperende rokken stevig gearmd lopen. En voor de frisse, nieuwe wijken met tussen de rijen eensgezinswoningen iele, bibberende boompjes en lege straten op een paar spelende kinderen na, hun schaduwen op het nog smetteloze plaveisel. Zo ziet de buitenwereld eruit van de door het nationale vooruitgangsgeloof opgedreven jaren vijftig en zestig. De binnenkant, het interieur, is licht en ruim, schaars gemeubileerd, de boekenplanken aan de wand nog maar half gevuld. In de nieuwe kantoren staan de hoge, stalen ramen wijd open en lijken de witte gangen en trappenhuizen zonder gewicht.

Jan Versnel (1924) is met zijn architectuur- en interieurfotografie voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor deze grote en kleine illustraties van de idealistische, naoorlogse tijd. Met een 'trage' technische camera en een batterij aan lenzen documenteerde hij in zwartwit - 'kleur is vaak bijzaak' - de oogst van het Nieuwe Bouwen en van de revolutionaire, functionalistische vormgevers voor tijdschriften als Goed Wonen, Forum, Bouwkundig Weekblad en Bouw. Zijn passie voor de avantgarde en zijn overtuiging dat de fotograaf zich in dienst moet stellen van de bedoelingen van de architect en niet in abstracte beelden mag vervallen, bezorgde hem opdrachten van Marcel Breuer, Aldo van Eyck, Gerrit en Jan Rietveld, Hein Salomons en van ontwerpers als Kho Liang Ie, Friso Kramer en Benno Premsela.

Levende wezens

Hoewel sommige foto's in het indrukwekkende boek Jan Versnel, aantonen dat zijn geoefend oog niet ongevoelig was voor de poëzie van stillevens die aan het werk van Russische constructivisten doen denken, zoals een stapel tafelonderstellen (1959), of een berg restmateriaal bij de Slotenfabriek Lips (1959), is zijn architectuurfotografie uitgesproken zakelijk. Het gebouw wordt altijd zo concreet mogelijk in beeld gebracht, waarbij de dramatiek wordt gezocht in de keuze van een bijzondere invalshoek. In 1948 fotografeerde hij de overbekende voorgevel van theater Carré in zo'n ongewoon perspectief, dat de compositie van fragmenten van twee zuilen, daklijst, balkon en raam een nieuwe, onbekende schoonheid krijgen.

Betrekkelijk uniek in de architectuurfotografie is dat Versnel de aanwezigheid van levende wezens in en om de bouwwerken nooit heeft geschuwd. Hij deelde de stelling van de sociaalbetrokken architecten dat 'architectuur er voor mensen is'. Een waarheid als een koe, zou men denken, maar wie thuis is in het domein van de architectuurtijdschriften en -boeken weet dat de menselijke aanwezigheid in dit fotografisch genre een zeldzaam verschijnsel is.

Tegenwoordig laat elke professionele architectuurfotograaf het uit zijn hoofd om de glamour van de bouwkunst te laten verstoren door een menselijke gestalte. Het tijdstip van de fotografie wordt zodanig gekozen dat geen mensen aanwezig zijn, of de omgeving van het pas voltooide gebouw wordt even tot verboden gebied verklaard zodat de fotograaf ongestoord zijn werk kan doen. De vooraanstaande architect is een ster geworden en zijn gebouwen wedijveren met kunstwerken van de eerste orde. Dat is niet alleen de mening van de zelfbewuste architect, maar ook van de opdrachtgever, de ontwikkelaars, de belegger, kortom van iedereen die aan de totstandkoming heeft meegewerkt. Zij menen dat de architectonische creatie eenzelfde verheven benadering als de kunst verdient en dat betekent dat het bouwwerk zo stralend en uitdagend mogelijk moet worden afgebeeld. Zónder mensen, maar het liefst ook zonder directe omgeving. Het gebouw in een lijst gezet, daarom lijken de professioneel gefotografeerde gebouwen overal ter wereld zo op elkaar.

In de jaren zeventig, toen de sociale implicaties van architectuur belangrijker werden geacht dan de architectuur zelf, heerste een compleet andere beeldcultuur. De architectuurtijdschriften stonden vol met grof gerasterde zwartwit fotootjes waarop meer mensen dan gebouwen waren te zien. Architect Herman Hertzberger heeft lange tijd de foto's van zijn werk zelf gemaakt om het gedrag vast te leggen van kinderen in door hem ontworpen scholen, of van bejaarden in door hem ontworpen tehuizen. Afbeeldingen van zijn architectuur waarop geen mens te ontdekken is, vond hij onwaarachtig en verwerpelijk. Die tijd is, ook bij Hertzberger, al lang voorbij.

De moderne, kleurrijke, technisch perfecte, en vooral mensvijandige architectuurfotografie heeft onze blik dusdanig gemanipuleerd, dat de architectuurfoto waarop mensen voorkomen een vreemde, ouderwetse indruk maakt. Zelfs al zijn ze genomen door een 'professional' als Jan Versnel, het lijken kiekjes van een amateur. De gedateerdheid is niet zozeer afkomstig van de snit van de jassen of de plompe lijn van de schoenen die op de foto worden gedragen; alleen de aanwezigheid van mensen is voldoende om deze architectuurfoto's naar een lang vervlogen tijdperk te verwijzen. De beelden van het Sonsbeek paviljoen van Gerrit Rietveld (1955) waarop een man en een vrouw op de rug zijn te zien, aandachtig in een vitrine kijkend, en nog een paar mensen op de achtergrond wandelen, heeft de aandoenlijkheid van een opgeblazen amateurfoto.

Aandoenlijk is ook het juiste woord voor de interieur-fotootjes uit de jaren vijftig die op twee pagina's bij elkaar zijn geplaatst. Even krijg je de indruk een privé fotoalbum te hebben opengeslagen. De grote kamer van een modelwoning uit 1956 bevolkt door maar liefst vijf personen: twee op het balkon dat door een groot raam zichtbaar is, twee vrouwen die elkaar, ongedwongen hangend op de hoek van een rechte bank iets laten zien, en een man geconcentreerd lezend achter een bureautafel met hele dunne poten en een even dun blad. Dan het interieur van de eigen woning van Aldo van Eyck die hij in 1947 ontwierp. De foto is in 1950 genomen en laat een potkachel zien met daaromheen een cirkelconstructie op pootjes. Daarop ligt een losse plank die als tafeltje dienst kan doen en misschien ook wel als bankje, maar het is de vraag of de fragiele buispootjes onder de cirkel zo'n gewicht kunnen dragen. Ook het interieur van de woonboot van Wim Crouwel uit 1951 staat in het album afgedrukt. De ontwerper zit in een lichte, canvas fauteuil en leest een tijdschrift. Een dikke ronde kachel beheerst de kamer die verder heel strak en elementair is ingericht. Op de achtergrond, door een gangraam, is de rug zichtbaar van een vrouw die in de keuken voor de aanrecht staat. Zelden zag men een verantwoord interieur treffender in beeld gebracht.

Tussen deze intieme, huiselijke opnamen en de magistrale wolkenluchten die worden weerspiegeld in de glasgevels van Bonnema's mastodont voor de Nationale Nederlanden in Rotterdam (1996), begeeft zich het fotografisch oeuvre van Jan Versnel. Het gelijknamige boek, met instructieve teksten van Maarten Kloos en Solange de Boer en een imposante vormgeving van Reynoud Homan, laat een melancholische indruk achter. Alleen al zoals de zon hier en daar feestelijk door de wolken breekt.