Weg met de programma's

Waartoe dient een verkiezingsprogramma? Dat is toch wel de steeds klemmender vraag nu inmiddels drie van de vier grote politieke partijen hun ontwerpteksten hebben gepresenteerd. Iedereen is er klaar voor, zoveel is wel duidelijk. Sterker nog, ze gaan ervoor! Het zijn allemaal programma's die er volgens de trotse partijtoppen 'op weg naar een nieuwe eeuw wezen mogen'. En zo kunnen ze de kiezer de komende maanden tegemoet treden: bewogen in beweging (D66), met een wereld te winnen (PvdA) en met de mededeling dat je samenleven niet alleen doet (CDA).

Kortom, prachtige slogans maar wat zegt het dit nu helemaal, een ontwerp-verkiezingsprogramma? Als het goed is niet zo veel. De publicatie van het ontwerp-verkiezingsprogramma zou eigenlijk niet meer moeten zijn dan de eerste fase van een langdurig besluitvormingsproces binnen een politieke partij. Het is het product van een speciaal daartoe aangestelde groep partijleden, waarover de partij vervolgens in al haar geledingen kan gaan discussiëren. Dat debat mondt dan enkele maanden later uit in een besluitvormende bijeenkomst waarop het definitieve verkiezingsprogramma wordt vastgesteld.

Zo zou het moeten zijn. Maar zo is het al lang niet meer. De presentatie van het ontwerpprogramma - in feite een interne partij-aangelegenheid - is inmiddels bij alle grote partijen ontaard in een publicitair spektakel voor de buitenwacht. Pro forma mompelen partijleiders bij de presentatie nog wel dat het om een ontwerpprogramma gaat, maar van enige terughoudendheid is in hun verdere gedrag niets meer te merken. Het ontwerpprogramma wordt direct omarmd als zijnde hèt stuk waarmee de verkiezingen worden gewonnen. Mocht een individueel partijlid nog enige aandrang hebben over het programma in discussie te gaan, dan moet hem na een dergelijk vertoon alle lust zijn ontnomen.

De gang van zaken rond de vaststelling van de verkiezingsprogramma's is bij alle grote partijen uitgemond in één grote aanfluiting van de interne partijdemocratie. Neem alleen al de partijleiders die het programma glunderend in ontvangst nemen. Het is tekenend voor de scheef gegroeide verhoudingen. De normale volgorde is natuurlijk dat eerst het programma wordt vastgesteld en pas daarna de politiek leider annex lijsttrekker wordt aangewezen. Die wordt immers geacht met dat programma de verkiezingen in te gaan. Maar tegenwoordig gaat het andersom: eerst de lijsttrekker en dan het programma. Wat dat voor de inhoud van het programma betekent, laat zich raden. De lijsttrekker kan niet met een hem of haar onwelgevallig programma worden opgezadeld. Die kans is dan ook niet zo groot, want de lijsttrekker of diens adjudanten zijn nauw bij de opstelling van het ontwerpprogramma betrokken. En zo zijn reeds de ontwerpprogramma's volledig instrumenteel geworden voor het Haagse rollenspel.

Het meest pijnlijk heeft dit proces zich geopenbaard bij D66. Alsof de kascontrolecommissie voor de plaatselijke postzegelvereniging benoemd moest worden, zo stelde D66 enkele jaren geleden de verkiezingsprogrammacommissie in. Niemand binnen de partij had echt interesse om het voorzitterschap van deze commissie op zich te nemen en dus werd de politieke flipperbal Michel van Hulten, (ex KVP, ex PPR, ex PvdA) die wèl wilde, zonder enige tegenstem aanvoerder. Ze hebben het geweten bij D66! Bestuurders die enkele maanden geleden de eerste teksten onder ogen kregen moeten even gedacht hebben dat de PPR opnieuw was opgericht. Financiering van Verenigde Naties door middel van een heffing op vliegtuigtickets was één van de voorstellen. Van Hulten en de zijnen zijn een weekeinde lang flink door de partijtop onder handen genomen, met als gevolg dat beoogd (want door Hans van Mierlo persoonlijk aangewezen) lijsttrekker Borst eind vorige maand het fors gestripte ontwerpprogramma alsnog met goed fatsoen kon aannemen.

Toch zat er een adder onder het gras, zo bleek vorige week. In een interview met het partijblad Democraat gaf Van Hulten aan het oneens te zijn met de in het ontwerpprogramma opgenomen economische groeidoelstelling van drie procent per jaar. Waarom dan toch dat percentage opgenomen? Omdat D66 minister Wijers van Economische Zaken dat had doorgedrukt. Van Hultens hoop was dat de partij verstandiger zou zijn en het er in de discussie over het ontwerpprogramma weer uit zou halen.

Hier toonde Van Hulten zich de jaren zeventig politicus. Keihard zette de partijtop hem vorige week in de hoek. Hij had als voorzitter voor het ontwerpprogramma getekend en moest het dus voluit verdedigen, zo werd hem te verstaan gegeven. Van Hulten restte vervolgens nog maar één weg: opstappen.

Bij de PvdA is het er weinig verheffender aan toe gegaan. Kok is de man, en om hem heen is het programma gebouwd. Belangrijkste auteurs: partijvoorzitter Adelmund, fractievoorzitter Wallage, en minister Melkert. Het gevolg is een stuk vol platte retoriek: “Dit kabinet heeft op integere wijze gezocht naar de optimale balans tussen het economisch noodzakelijke en het sociaal rechtvaardige zonder daarbij het milieu te verwaarlozen”. Geen woord over het opmerkelijke verschil tussen het vorige PvdA verkiezingsprogramma en het werkelijke beleid. Alle mogelijke controversiële punten die anderen uit de partij de afgelopen maanden aandroegen, hebben de Haagse PvdA-eindredacteuren eruit verwijderd. Er is voor de PvdA een wereld te winnen en aan dat hogere doel wordt het winnen van de partij voor eigen ideeën volledig ondergeschikt gemaakt.

Regeringsverantwoordelijkheid gaat ten koste van partijverantwoordelijkheid. Vandaar dat het oppositionele CDA op een relatief ontspannen wijze zijn ontwerpprogramma heeft kunnen vaststellen en nog een enigszins eigen geluid kan ventileren. Het programma van de christen-democraten is tenminste geen verlengstuk van het regeringsbeleid. Wat dat betreft zijn de rollen omgedraaid.

In zijn standaardwerk 'De opkomst van de moderne kaderpartij' over de Nederlandse partij-organisatie, somt de politicoloog Ruud Koole zes functies van een partijprogramma op. Voor intern partijgebruik dient het als middel om verantwoording af te leggen, de besluitvorming te stroomlijnen en om de leden te mobiliseren. Extern functioneert het partijprogramma als middel om zich te profileren, kiezers te werven en als aanzet voor onderhandelingen in een kabinetsformatie.

Van vijf van de zes functies is weinig meer over. De praktijk is dat zeker bij regeringspartijen het ontwerpprogramma wordt opgesteld in het licht van de komende kabinetsformatie. Ministers deinzen er niet voor terug hun ambtenaren in te zetten voor het formuleren van programmapunten. Dat is nog eens wat anders dan een telefoontje uit het Witte Huis naar naar een donateur. Ministers schrijven hun eigen programma waarna de partijleden het mogen accorderen, zo gaat het tegenwoordig. “Vitale politieke partijen zijn de levenslijn van het type democratie dat Nederland past”, zei minister Melkert vorige week. Dezelfde Melkert die één van de hoofdauteurs van het PvdA-programma is. Maar goed, het was dan ook de Machiavelli-lezing waar hij deze woorden sprak.