VS: geen groen licht voor gaspijp door Iran

WASHINGTON, 16 OKT. De Amerikaanse regering ontkent dat zij heeft ingestemd met de aanleg van een aardgasleiding van Turkmenistan door Iran naar Turkije, waarbij de oliemaatschappij Shell een leidende rol wil spelen.

Daarmee komt Washington terug op zijn besluit van deze zomer dat de pijpleiding niet valt onder een sanctiewet tegen Iran, die strafmaatregelen oplegt aan bedrijven die investeren in de Iraanse olie- en gassector.

Begin deze week werd bekend dat Shell betrokken is bij plannen voor de bouw en exploitatie van de meer dan 1.500 kilometer lange pijpleiding, die gas uit Turkmenistan via Iran naar Turkije moet transporteren.

De kosten van het project worden geraamd op 2,5 miljard dollar (vijf miljard gulden). Shell, dat via zijn Amerikaanse dochtermaatschappij Shell Oil enorme belangen in de Verenigde Staten heeft, kan zich niet veroorloven om Amerikaanse sancties over zich af te roepen.

Het Nederlands-Britse oliebedrijf kan eventuele sancties ontwijken door de pijpleiding niet door Iran te laten lopen. Onderzocht wordt of een route door de Kaspische Zee naar de Azerbajdzjaanse hoofdstad Baku en verder door Armenië naar Turkije commercieel haalbaar zou zijn.

Dit tracé is korter dan de route door Iran. Volgens experts in de regio zou aanleg van de pijleiding over de bodem van de Kaspische Zee, ook afgezien van de afstand, goedkoper kunnen uitkomen dan over land, maar het nadeel is dat de medewerking van meer landen nodig is.

Voor de Nederlands-Britse oliemaatschappij is het project van groot belang omdat het ook mogelijkheden biedt voor verder transport van aardgas uit de Kaspische regio door Turkije naar West-Europa, waar de vraag naar gas sterk groeit.

Shell geeft geen inhoudelijke reactie op het nieuws uit Washington. Woordvoerder Maarten Broekers in Rotterdam zegt: “Wij hebben niet de behoefte bij voortduring te reageren, gezien alle uitlatingen die tot op heden door verschillende instanties zijn gedaan.”

De Turkmeense minister van Buitenlandse Zaken, Boris Sjichmoeradov, sprak vorige week in Washington met de Amerikaanse plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken Strobe Talbott en onderminister Stuart Eizenstat.

Die hadden hem, zo verklaarde hij tegenover The Washington Post, “een groenachtig licht” gegeven voor aanleg van de leiding door Iran. “We zouden graag willen dat dit groenachtige signaal werkelijk groen wordt”, voegde hij er aan toe.

Maar gisteren hielp de woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken, James Rubin, hem uit de droom: “Er is geen groen licht gegeven, geen groenachtig licht, geen groen getint licht, geen groen gekleurd licht, geen groen licht van wat voor soort dan ook”.

Pagina 20: VS bestuderen plan pijplijn door Iran naar Turkije

Volgens Rubin zal Washington “het contract bekijken als we de details te pakken krijgen”. Als blijkt dat met het project “strafbare activiteiten” gemoeid zijn “zullen we onder de wet passende maatregelen nemen”. Dat geldt voor elk voorstel voor een pijpleiding door Iran, aldus Rubin, en “dit project is geen uitzondering”. Tot gisteren bestond de indruk dat de Amerikaanse regering wel een uitzondering zou maken op de sanctiewet, omdat Turkije met deze pijpleiding geen Iraans maar Turkmeens gas zou aanvoeren. De Amerikaanse sanctiewet tegen Iran en Libië, naar een van de initiatiefnemers in de Senaat wel de D'Amato-wet genoemd, legt strafmaatregelen op aan buitenlandse bedrijven die meer dan 20 miljoen dollar investeren in de olie- en gasvelden van Iran of meer dan 40 miljoen in Libië.

Die landen zouden zo economisch geïsoleerd moeten worden als straf voor hun steun aan internationaal terrorisme. Iran is bovendien door de VS beschuldigd van doorkruising van het vredesproces in het Midden-Oosten en het opbouwen van een kernmacht. Teheran heeft dit steeds ontkend.

Vorige maand besloten de Franse oliemaatschappij Total, het Russische Gazprom en het Maleisische Petronas om de toorn van Washington te riskeren, toen ze een miljardencontract met Iran voor gaswinning in de Golf op Iraans gebied bekendmaakten. Minister van Buitenlandse Zaken Albright hekelde Frankrijk daarover scherp. Wel heeft ze gezinspeeld op de mogelijkheid van een uitzondering bij de toepasing van sanctiemaatregelen. Maar daar zou een kritischer houding van de Europese Unie jegens Iran tegenover moeten staan.

Gevraagd hoe de pijpleiding, die moeilijk gezien kan worden als investering in olie- of gasvelden, tòch onder de sanctiewet kan vallen, antwoordde Rubin gisteren dat dat een juridische kwestie is die nader uitgezocht dient te worden. Hij liet onvermeld dat de politieke kwestie is dat er in het Amerikaanse Congres geen steun bestaat voor stappen die uitgelegd kunnen worden als versoepeling van het beleid jegens Iran.

Volgens Rubin heeft de Amerikaanse regering in juli alleen aangegeven dat “de gas-plannen van Turkije, waaronder de aankoop van gas uit Turkmenistan” niet onder de sanctiewet lijken te vallen. “We beschouwen Turkije's besluit om gas uit Turkmenistan te betrekken en niet uit Iran, als een positieve ontwikkeling.“Maar”, voegde hij daar aan toe, “we hebben niet onze goedkeuring gegeven aan wat voor pijpleiding door Iran dan ook, en een dergelijk project zou zorgvuldig onder de loep genomen moeten worden. Dat is onze positie. Onze sterke voorkeur is dat olie- en gasvoorraden uit het gebied rond de Kaspische Zee de Westerse markten via niet-Iraanse routes bereiken.”