Subsidiebeleid nekt de echte kunstenaar

De stelligheid waarmee Geert Dales in NRC Handelsblad van 27 september tegen de mening van Riki Simons over het falende kunstbeleid ageert, riekt naar moord. Moord op het hedendaagse beeldende kunstklimaat in Nederland. Zo makkelijk als Dales de argumenten van Simons afdoet, zo complex is de materie in werkelijkheid. Dat is ook de voornaamste reden waarom de gesubsidieerde kunstmaffia nog steeds op haar troon zit.

Markten werken via bepaalde wetmatigheden. Deze hebben sociale, economische en culturele dimensies. De economische en culturele dimensie worden geacht het meest van elkaar af te staan, met de sociale dimensie als bindmiddel daartussen, maar in de werkelijkheid blijken deze twee dimensies juist sterk met elkaar verweven te zijn.

De kunstenaar streeft naar erkenning van zijn werk en tracht uit de verkoop inkomen te verwerven. Cultureel staat de kunstenaar in hoog aanzien door zijn erkenning. Erkenning verkrijgt de kunstenaar door over een lange termijn, gemiddeld 25 jaar, aan te tonen over die kwaliteiten te beschikken. Het oeuvre zal een bepaalde vernieuwende ontwikkeling moeten laten zien.

Het erkennen van de kunstenaar verloopt via verschillende succescirkels. De distributiekanalen spelen daarin een voorname rol. Zij filteren het aanbod en geven signalen af aan de kunstbeschouwer. De kunstbeschouwer bepaalt uiteindelijk wat kunst is en wat niet. De kunstenaar bouwt een netwerk van kunstminnaars om zich heen om van daaruit zijn erkenning te behalen. De collegae kunstenaars en de kunstkenners c.q. verzamelaars zijn in dit proces het eerste aanspreekpunt. Zij zijn het die het contact leggen met een galeriehouder die een duurzame samenwerking zal aangaan met de kunstenaar.

De galerie is vervolgens de springplank voor de uiteindelijke publieke roem. De galerie verzorgt het contact met verzamelaars, de kunstcritici en uiteindelijk de musea.

Althans zo zou het marktmechanisme in de beeldende kunst moeten werken. Maar in Nederland is het filtermechanisme van de distributie volledig verstoord. Overheidsbemoeienis heeft er toe geleid dat het filteren via het aloude mechanisme niet meer mogelijk is. Door subsidiëring van bepaalde distributievormen en kunstenaars ontstaat er op het economische vlak oneerlijke concurrentie die vanuit het culturele vlak in het geheel niet gewenst is. Musea vinden het schitterend om de vooruitgeschoven functie te krijgen om het filter in de markt te zijn voor de nieuwe kunst. Het overheidsnetwerk is zelfs zo ver gegaan om de galeries een kwaliteitskeurmerk te geven waaraan aankoopsubsidie verbonden is.

De publieke controle op de kunstmarkt is volledig verloren gegaan toen de overheid haar subsidiestromen geprivatiseerd heeft in de vorm van oncontroleerbare stichtingen. In de achterkamertjes wordt nu de pot met belastinggeld verdeeld op basis van persoonlijke voorkeur. Het Mondriaanfonds en het Fonds voor de Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst zijn daar sprekende voorbeelden van.

Dat de overheid durft te beweren dat zij geen voorname rol in de Nederlandse beeldende kunstmarkt speelt is gewoon niet waar. Financieel heeft de overheid een te grote invloed die door haar culturele keuzen tot verstikking in de kunst leidt. De overheid moet zich beperken tot voorwaardenscheppend beleid. Deel de pot met geld evenredig naar de participanten en laat de markt zijn werk doen. Dit bespaart ook nog een groot budget aan uitvoerende ambtenaren.

Dales stelt dat de uitgaven verdeeld worden over een brede groep kunstenaars, maar gaat daarbij voorbij aan de achtergronden. In werkelijkheid is er sprake van van een 20-80 regel: 20 procent van de (overheids)kunstenaars vallen altijd in de prijzen met 80 procent van de totale subsidie-uitgaven. Het nieuwe beleid dat nu wordt voorbereid, via de Wet Inkomensvoorziening voor Kunstenaars, zal in deze situatie geen verbetering brengen. Blijft de vraag of het aan de overheid en haar uitvoerders is om te bepalen wie in deze succes heeft en wie niet.