Restaurant; Tijdcapsule naar de jaren '60

De Oude Graansilo. Griffeweg 4, Groningen. Tel 050-3132000

Bistro - wie dat woord een paar keer achter elkaar uitspreekt, wordt als door een tijdcapsule gelanceerd naar de jaren waarin de Nederlanders de Franse kaas, wijn en het eten op houten bordjes ontdekten. In een bistro kwam de wijn niet in flessen maar in karafjes, het vleesmes had er een houten heft en een gekarteld lemmet om sneller te kunnen snijden, en er was uiteraard geen tafellinnen. De ambiance moest ontspannen zijn, een tikje duister, en vooral: ongedwongen.

De komst van de bistro (Frans voor 'goedkope eetgelegenheid') markeerde de democratisering van het uit-eten-gaan in het naoorlogse Nederland. 'Mijn ouders gingen nooit uit eten', zou de eerste larmoyante zin kunnen zijn van een bekentenisroman voor veertigers. Maar het is waar: in de jaren vijftig werd vooral thuis gegeten, in de bedrijfskantine, in een sociëteit of in een restaurant. Buitenshuis eten als social event was een formele aangelegenheid voor de elite en hogere middenklasse, in restaurants waar goede manieren weliswaar niet op de menukaart stonden, maar onmiskenbaar verplicht waren.

De baby-boom en de sociale mobiliteit die Nederland in de jaren zestig in hun greep kregen, brachten daar verandering in, zoals in zoveel anders. Uit eten gaan raakte gedemocratiseerd en de bistro bracht uitkomst voor de groeiende groep welvarende middenklassers die niet naar een 'stijf' restaurant wilde, maar die ook weer niet wilde belanden bij het andere uiterste, de fast food-eethuisjes die als kieuwvisjes meezwommen met de welvaartswalvis, zoals het hamburger- en spiegelei-eethuis Wimpy.

Halverwege de jaren zeventig was er dankzij de baby-boom zelfs sprake van een bistro-boom. Het ongedwongen eethuis werd zo'n succes dat ook klassieke Franse restaurants met Franse keuken zich 'bistro' gingen noemen, zoals het Haagse Le Bistroquet, waar Hans Wiegel en Dries van Agt in december 1977 besloten dat het genoeg was geweest en een eind maakten aan het tijdperk waarin de bomen tot in de hemel groeiden.

Inmiddels is het begrip 'bistro' van de culinaire voorgrond verdwenen, maar de bijbehorende cultuur is overgenomen door een heel scala restaurants, eethuisjes en, een omvangrijk nieuw verschijnsel, eetcafés. Ondanks een rehabilitatie van het restaurant in de meer statusgevoelige jaren tachtig, blijft het ongedwongen uit-eten-gaan een succesformule, door de verregaande individualisering en de toename van het aantal druk bezette tweeverdieners.

Hier en daar houdt ook de bistro pur sang stand. Zoals in Groningen, waar horeca-ondernemer Bor Daamen in april een sympathieke eetgelegenheid opende in een voormalige, in 1898 gebouwde graansilo. Zoals het bij een bistro hoort, is 'De Oude Graansilo' klein (ruimte voor ongeveer 35 eters) en de sfeer informeel, onder andere door het uitzicht op de stortkokers in het zes meter hoge plafond waar vroeger het graan doorheen suisde.

De hoofdgerechten zijn er niet duur (prijzen schommelen rond de twintig gulden, van zalmmoot met dillesaus voor ƒ 24,50 tot lamskoteletten van ƒ 21,50), zijn redelijk tot goed van kwaliteit en de zaak is opvallend ruim gesorteerd in vis. De bediening is, op deze avond, zelfs geen moeite teveel om het de gasten naar hun zin te maken. Van de drinkers aan de bar (er is een ouderwetse 'borrelhoek') komt ook al geen overlast.

Kortom, hier kan een aangename lancering worden beleefd terug naar de tijd dat Nederland het buitenshuis eten nog tastenderwijs aan het ontdekken was. En hoewel politiek natuurlijk buiten de deur blijft in de zaak, denk je toch: als Van Agt en Wiegel híer hadden gezeten in 1977, hadden ze waarschijnlijk een tweede kabinet Den Uyl bedacht.