Rechercheschool; Lessen uit Van Traa's bijbel

De IRT-affaire heeft louterend gewerkt. De rechercheschool heeft 'eindelijk duidelijkheid' over regels bij opsporing.

TROTS TOONT Shirley Terhaar haar afdrukspoor. Terhaar, werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, heeft een grijsbruine rubberpasta uitgesmeerd over een moet die in een stuk hout is gemaakt. Straks gaat de grijze plak met afdruk in een plastic zakje. Later, in de praktijk, kan zo'n afdrukspoor eventueel als bewijsmiddel dienen in een rechtszaak. “Hartstikke leuk”, noemt Shirley de cursus technisch rechercheren die ze volgt aan de rechercheschool in Zutphen. “Alleen jammer dat er zo weinig vrouwen meedoen.” Terhaar is de enige vrouwelijke cursist in het practicumzaaltje.

Op de rechercheschool, opgericht in 1962 en vanaf 1972 gevestigd aan de rand van de gemeente Zutphen, komen niet alleen rechercheurs, maar ook mensen van de uniformdienst en officieren van justitie. Buiten staan heren in blazers sigaretten te roken. Binnen in de hal, waar roken is verboden, zitten tussen de lessen mannen in spijkerbroek en casual overhemd. Sommigen hebben een snor, allen kijken spiedend om zich heen. De dienders staren eenieder na die er niet uitziet als een politieman. Hier zal niemand ongezien een overtreding kunnen begaan. Volgens de ministers van van politie (Justitie en Binnenlandse Zaken) is echter de kans dat de dader van een misdrijf wordt gepakt op dit moment veel te gering. In de toelichting op de begroting van Justitie staat dat het ophelderingspercentage flink omhoog moet en daarmee ook de kwaliteit van de recherche. Wie aan strafzaken uit het recente verleden denkt, ontkomt inderdaad niet aan enig meewarig hoofdschudden. De afhandeling bijvoorbeeld van de Beverwijkse veldslag tussen voetbal-hooligans lijkt exemplarisch voor de wijze waarop het niet moet. Nog te vaak worden ernstige fouten gemaakt bij het veiligstellen van de sporen. Zo bevond zich een klauwhamer met bloedsporen van een slachtoffer te midden van allerlei andere slag- en steekwapens.

Sprekend over deze massale vechtpartij zegt de directeur van de rechercheschool, T. Rutting, gezeten achter zijn bureau met uitzicht op fraai gecoiffeerd groen, dat “iedere politieman hoort te weten hoe sporen moeten worden veiliggesteld, geïsoleerd en afgedekt”. In Beverwijk zijn beginnersfouten gemaakt. Aankomend rechercheurs, zoals Shirley Terhaar, wordt op de rechercheschool geleerd deze fouten te voorkomen.

Opeens klinkt er een doffe dreun. Zes mannen met zwartgemaakte skibrillen op, die buiten over het grasperk voortstrompelden, zijn langzaam dichterbij gekomen. De voorste man loopt met een klap tegen het raam van de directiekamer op. Rutting zegt dat deze polonaise van blinden een samenwerkingsoefening voor politiemensen is, georganiseerd door de belendende politie-academie. Het blindemannetje spelen zit in een module gericht op het leidinggeven aan een team. “Ik hoop niet dat u dat symbolisch opvat als rechercheurs die blind rondtasten waardoor het ophelderingspercentage laag is.”

Niet alleen moet de kwaliteit omhoog van de technische recherche, die diefstal met braak, autodiefstal of geweldsdelicten onderzoekt. Ook op het werk van de criminele inlichtingendiensten (CID's) is kritiek gekomen. CID-rechercheurs verzamelen gegevens over de zware georganiseerde misdaad. Ze tappen het criminele telefoonverkeer af en praten op winderige parkeerplaatsen met criminele informanten over deals en liquidaties. Tot 'Van Traa' plakten ze ook peilzenders onder auto's van hasjhandelaren en verstopten ze minicamera's in loodsen waar ecstasy werd gemaakt. Na de IRT-affaire en de conclusies van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden roept het begrip rechercheur voornamelijk associaties op met het werk van de CID-rechercheur. De CID is synoniem geworden met inkijkoperaties, het 'gecontroleerd' doorlaten van containers met harddrugs, het inzetten van criminele infiltranten en het opzetten van dekmantelfirma's. Of, zoals de commissie-Van Traa dat zelf noemde: “het faciliteren van criminele activiteiten”.

Directeur Rutting van de rechercheschool zegt blij te zijn met het onderzoek van de commissie-Van Traa. Hij spreekt van zijn 'bijbel' wanneer hij verwijst naar de lijvige boekwerken waarin de bevindingen staan van de enquêtecommissie. Volgens hem heeft Van Traa in de recherchewereld “een enorme impact gehad”. “Eindelijk krijgen we duidelijkheid over wat wel en niet mag.” Naar zijn zeggen wordt nu in de opleiding over de diverse afluistertechnieken of videoregistraties verteld wat wel en (nog) niet mag. Dat gebeurt in de module 'Criminele Inlichtingendienst'.

Volgens de coördinator van de CID-cursus, B. de Blouw, bestond vroeger bij sommige CID's een 'guerrilla'-mentaliteit. “Niemand had in de gaten wat de CID-rechercheurs deden, dus konden ze makkelijk ook steeds weer ietsje verder gaan.” In het verleden werden opsporingstechnieken voor de rechtbank verheimelijkt. Op de rechercheschool klinkt een pleidooi voor openheid tegenover het openbaar ministerie over de opsporingsmethoden. Aan openheid schort het nog steeds, ondanks Van Traa, aldus De Blouw. Een situatie die de CID-coördinator wijt aan de positie van de recherchechef en aan de vrijgevochten mentaliteit van sommige recherche-onderdelen.

Die mentaliteit zal volgens De Blouw voortbestaan zolang 'het management' niet krachtig de leiding neemt en recherchechefs na drie, vier jaar weer laat weggaan. “Er is te veel functieroulatie bij de recherche. Je moet mensen hebben die het recherchevak door en door kennen en die als chef weten waarover het gaat. Anders pakken de mannen van de werkvloer je gewoon in.” Continuïteit in het leiding geven aan recherchediensten is er echter nauwelijks omdat 'recherche' een specialisme is en dat geeft bij de politie geen goede carrièrekansen. Generalisten voeren de boventoon bij de politie. “Maar als je als leiding niet bereid bent te investeren in controle op het recherchewerk, loop je weer de kans op ontsporingen”, zegt De Blouw.

Ook directeur Rutting meent dat te lang is veronachtzaamd dat leiding geven aan een recherche-onderzoek een vak apart is. Hij betreurt het dat er op dit moment geen recherchechefs meer zijn die tot de verbeelding spreken, zoals eertijds de politiechefs Blaauw en Sietsma. Wat De Blouw vooral zorgen baart, is dat hij op de cursussen van de rechercheschool wel 'uitvoerders' van het recherchewerk krijgt, maar erg weinig 'bazen'. “Onder leidinggevenden bestaat voor de inhoud van het recherchevak weinig animo.”