Philips in oorlogstijd; De keuzes van een slappe Tinus

Philips heeft het lang verwachte deel IV van zijn geschiedenis gepubliceerd, het deel dat handelt over de wederwaardigheden van het bedrijf in oorlogstijd. Het blijkt een eerlijker verslag dan men misschien van een officiële bedrijfshistoricus zou verwachten.

Geschiedenis van Philips Electronics N.V., deel IV: Onder Duits beheer. Door I.J. Blanken. Europese Bibliotheek - Zaltbommel. Prijs ƒ 89,-

Anno 1980 publiceerde de NV Philips in eigen beheer het eerste volumineuze deel van de huisgeschiedenis vanaf 1891, geschreven door de historicus-in-loondienst A. Heerding, wiens werk na diens overlijden werd voortgezet door I.J. Blanken. Nadat in 1992 deel III over de periode 1922-1934 was verschenen, was het vijf jaar wachten op het deel over de tweede helft van de jaren dertig èn over Philips in oorlogstijd. Onder Duits beheer is nu van de drukpersen gekomen: bijna 400 pagina's dik.

Alleen al het feit dat Philips deze bittere pil heeft laten verschijnen verdient grote bewondering, want tot op heden waren alleen Duitse bedrijven als het elektronicaconcern Siemens en enkele Duitse autofabrieken zo (groot)moedig de feiten onder ogen te zien. Geen Nederlandse onderneming durfde zoiets aan. Unilever bij voorbeeld liet door de Britse professor Charles Wilson in drie delen de eigen historie beschrijven van 1870 tot 1966, maar toen Wilson aan het eind van deel II toe was aan de behandeling van de jaren 1940-1945 stokte zijn verhaal: in één pagina vatte hij de oorlogsgebeurtenissen samen.

Ook andere vaderlandse bedrijven (uitgezonderd Fokker, waarop gedurende de bezetting weinig was aan te merken) hebben hun oorlogsgeschiedenis tot nu toe angstvallig geheim gehouden. Philips heeft nu met deze traditie gebroken, maar...

Neen, laat ik niet beginnen met aanmerkingen te maken. Allereerst verdient Blanken hulde voor zijn heldere schrijfstijl; voor de wijze waarop hij de stof in goed gecomponeerde hoofdstukken heeft verdeeld en voor de onverbloemde wijze waarop hij op vele pagina's met harde feiten op de proppen komt. Zo doet hij uitvoerig uit de doeken hoe - nadat eind januari 1933 Adolf Hitler in Duitsland aan de macht was gekomen - Philips er alles aan deed om Duitse (leger)orders te verwerven, terwijl het bedrijf op dat moment allesbehalve gebrek aan werk had.

Binnen de gloeilampenindustrie kwam Philips wereldwijd toen al op de derde plaats, na het Amerikaanse concern General Electric (GE) en de Duitse onderneming Osram. Met de Radio Corporation of America (RCA) behoorde de Eindhovense multinational tot 's werelds voornaamste fabrikanten van elektronenbuizen en als fabrikant van radio-ontvangers kon Philips zich zelfs de grootste op aarde noemen.

Om Duitse orders binnen te halen deed Philips (met twee fabrieken te Hamburg) braaf wat de nazi's geboden. Toen per 1 april 1933 door de nieuwe machthebbers het ontslag werd geëist van alle bij Duitse bedrijven werkzame joodse directeuren en andere vooraanstaande medewerkers (onder wie commissarissen), nam Philips in Duitsland afscheid van commissaris en oud-directeur Max Liebermann en de bankier George Behrens. “De directie in Eindhoven [lees: Anton Philips, zelf van joodse huize] ging met beide maatregelen akkoord”, aldus Blanken. Volgens een hierbij geplaatste voetnoot blijkt dat uit een in het bedrijfsarchief bewaard gebleven interne notitie d.d. 2 juni 1933, maar helaas citeert Blanken geen woord uit dit document, zodat we niet kunnen lezen of dit schikken al dan niet onder enige vorm van protest of verontwaardiging geschiedde. Idem dito is dat het geval waar hij schrijft over door de nazi's verplichte aansluiting van Philips bij organisaties als de Nationalsozialistische Rundfunkkammer en de Reichskulturkammer.

Als één gevolg van deze soepele opstelling kreeg Philips toestemming in Aken een radiotoestellenfabriek te beginnen, ondermeer voor massaproductie van de (op wens van het Ministerie van Propaganda) ontwikkelde Volksempfänger, het radio-equivalent van de Volkswagen. Daarnaast kreeg Philips orders voor elektronenbuizen voor militaire ontvang- en zendinstallaties en voor knijpkatten - op handkracht aangedreven zaklantaarns waarmee leden van de Wehrmacht in het donker konden zien.

Blanken vraagt zich af waarom Philips in nazi-Duitsland steeds meer ging ondernemen in plaats van zaken te consolideren of af te bouwen. Zelf geeft hij als antwoord dat Philips jaren op een kans had gewacht om op de door Telefunken en Osram overheerste Duitse markt aan de bak te komen en dat het concern deze kans niet wilde laten glippen. Da's eerlijk, en tot op zekere hoogte vanuit ondernemersoogpunt gezien begrijpelijk.

Tot de zomer van 1939 had de geboren koopman Anton Philips het als president voor het zeggen en deze was was net zo gesteld op guldens, francs, ponden, dollars, peseta's, lires en roebels als op D-Marken. Ook was het hem om het even wàt Philips produceerde: gloeilampen, buizen, radio's, meet- en regelapparatuur, medische apparatuur en filmapparatuur, dan wel apparatuur voor (semi)militaire doeleinden.

Het enige waarin Philips geen brood zag, daarin gesteund door Gilles Holst (hoofd van het Natuurkundig Laboratorium), was televisie. Uitsluitend om niet achter te blijven bij de concurrentie verzorgde het bedrijf vanaf eind 1935 proefuitzendingen. Ook de introductie in 1939 van de Philishave (het elektrische scheerapparaat) had niet de volle instemming van de president. “Wij zijn geen barbiers”, mopperde hij toen dit apparaat hem werd voorgehouden.

In datzelfde jaar benoemde hij zijn opvolger en dat was niet zijn enige zoon Frits, die naar zijn mening te zachtmoedig was voor de commercie, zo schrijft Blanken. Onvermeld laat hij dat vader en zoon heftige ruzies hadden over de door Frits aangehangen leerstellingen van Morele Herbewapening, die als voornaamste principes eerlijkheid, zuiverheid, onzelfzuchtigheid en naastenliefde huldigde. President Anton hield zijn zoon voor 'een slappe Tinus' en zette per 6 juli 1939 zijn schoonzoon Frans Otten op het pluche. Nog geen jaar zat deze op zijn zetel toen de Duitsers Nederland binnen vielen.

Al vanaf 1934 was het Philipsconcern op een dergelijke bezetting verdacht en waren evacuatieplannen en juridische beschermingsconstructies uitgedacht. Anton Philips en zijn adviseurs gingen er aanvankelijk vanuit dat het bedrijf na een Duitse inval geruime tijd veilig zou zijn in 'de Vesting Holland' en daarom werden eerst in Rotterdam en later in Dordrecht voorzieningen getroffen voor de inrichting van een noodfabriek. In nog grotere nood dacht Philips met de productie deels uit te wijken naar de Engelse industriestad Blackburn en naar nader te kiezen locaties in de Verenigde Staten.

Om te voorkomen dat de Duitsers de fabriek in Eindhoven konden confisqueren werd de hoofdzetel van het concern overgebracht naar Willemstad op Curaçao. Blanken concludeert hieruit dat bij Philips al lang voor de oorlog “een duidelijk beeld bestond van de komende desastreuze politieke ontwikkelingen in Europa” en dat beeld onderbouwt hij met feiten.

Op de avond van 9 mei 1940 ontving Philips-president Otten uit Duitsland het bericht dat die nacht Hitlers troepen ons land zouden binnentrekken en onmiddellijk daarna trad het draaiboek in werking. Machines, voorraden en andere goederen werden in vrachtwagens geladen en voor een harde kern van het personeel stonden treinen gereed, die om vier uur in de ochtend naar de Vesting Holland vertrokken, precies op het tijdstip waarop de Duitse aanval op Nederland begon. Ingehaald door vliegtuigen en parachutisten stuitten de vrachtwagens en treinen op blokkades. De Duitsers waren al zover opgerukt dat de Randstad geen bescherming meer bood, waarna de Philips-verhuizers rechtsomkeert maakten en het bedrijf gewoon in Eindhoven werd voortgezet.

Wel slaagde de Philipstop (inclusief president-commissaris Anton) erin naar Londen en vervolgens naar New York te vluchten, om daar de zaken in ondermeer Noord- en Zuid-Amerika en Australië te dirigeren. Alleen Frits Philips bleef achter en nam de leiding over de fabriek in Eindhoven op zich, naar eigen zeggen in de hoop de werkgelegenheid voor bijna 20.000 mensen in stand te houden en voor Arbeitsinsatz in Duitsland te behoeden. God zelf, zo voelde hij dat, had hem daartoe uitverkoren. Naïef als hij was verwachtte Frits Philips met de Duitsers tot een 'loyale' samenwerking te komen.

Zonder protest (dat zou ook weinig hebben geholpen) liet hij zich welgevallen dat de nazi's het Eindhovense bedrijf per 5 juli 1940 onder toezicht plaatsten van de Duitsers dr. O. Bormann en dr. O.J. MerkelL. Voor de toegangspoorten van de fabriek posteerden zich gewapende Duitse wachtposten.

Op dit punt in zijn boek vertelt Blanken van een tot dusver onbekende interventie van Frans Otten. Otten, die zijn zwager onderhand een beetje kende, hield Frits Philips op 25 november 1940 via via telegrafisch voor: “...wij dienen onze besluiten en onze activiteiten altijd te baseren op het principe de eer en smetteloze reputatie van de natie, de onderneming en individuele medewerkers hoog te houden. Ons gezamenlijk doel om onze onderneming ten behoeve van aandeelhouders in stand te houden en werkgelegenheid te verzekeren voor staf en arbeiders mag dit overheersende principe nooit aantasten.”

Frits besliste echter anders en riep het personeel op niet bij de pakken neer te zitten en aan de slag te gaan alsof er niets aan de hand was. De Duitse beheerders meende hij in zijn zak te hebben en voor een deel was dat ook zo: Bormann en Merkel keerden zich met succes tegen nazi-plannen om Philips door een Duits concern te laten overnemen. In ruil voor die betrekkelijke vrijheid was Philips echter wel verplicht aan de Wehrmacht en Luftwaffe te leveren en ook hand- en spandiensten te verlenen aan Duitse elektronicaconcerns als Telefunken (een werkmaatschappij van AEG en Siemens & Halske), die hoofdzakelijk werkten voor de Duitse strijdkrachten te land, ter zee en in de lucht.

In 1940/41 leverde Philips Eindhoven op een totale omzet van 71,4 miljoen gulden nog maar voor 9,7 miljoen gulden aan de Wehrmacht en de Luftwaffe en voor 3,6 miljoen aan eveneens door het leger gebruikte civiele producten. In 1941/42 waren de militaire leveringen gestegen tot 27,4 miljoen gulden en tot 11 miljoen aan andere producten, op een totale omzet van 109,6 miljoen gulden; dus ruim 35 procent van de omzet.

Uiteraard wekte deze meegaandheid het ongenoegen van de Nederlandse regering in ballingschap te Londen en ook van het Britse oorlogskabinet. In beide kringen leefde de overtuiging dat Philips het eigenbelang boven dat van het vaderland en dat van de geallieerden stelde, ook al was Philips intussen in de Verenigde Staten fabrieken begonnen om met daar geproduceerde elektronica de Duitsers te bestrijden.

Om Philips voor dit van twee walletjes eten te bestraffen liet de Britse regering op zondag 6 december 1942 de Eindhovense fabrieken door de Royal Air Force bombarderen, die dit precisie-bombardement in zijn huisgeschiedenis bijschreef als een van de meest gedenkwaardige gebeurtenissen in de jaren 1940-1945.

Op 30 maart 1943 werd een lichter bombardement uitgevoerd. Het aansprekende detail dat al deze RAF-vliegtuigen waren voorzien van door Philips geproduceerde boordapparatuur, laat Blanken ongenoemd. Wel meldt hij, wat al bekend was, dat Anton Philips woedend vanuit New York bij de verantwoordelijken protesteerde: “Het idee dat zijn levenswerk in één klap was vernietigd, kon hij nauwelijks verdragen.”

In grote haast werd de zaak weer opgebouwd door ondermeer leegstaande sigarenfabrieken in Eindhoven en omgeving op te kopen of te huren. De leveringen aan nazi-Duitsland werden opgevoerd en ook trof Frits Philips voorbereidingen om in het concentratiekamp Vught een filiaal te openen en in Westfalen een letterlijk ondergrondse fabriek onder de naam Hammerwerke GmbH voor de fabricage van elektronenbuizen voor de Wehrmacht, bemand door joodse vrouwen uit de concentratiekampen Auschwitz en Vught.

Begin mei 1943 moest Frits Philips zijn werk noodgedwongen neerleggen nadat in Eindhoven spontaan een staking onder het personeel was uitgebroken. Aanleiding was dat voormalige leden van het Nederlandse leger waren opgeroepen zich bij de Duitse instanties te melden, om in krijgsgevangenschap te worden weggevoerd zo vreesden velen. Eerst bij Hoogovens en de Staatsmijnen en vervolgens ook bij Philips legden arbeiders het werk neer. Frits werd toen gearresteerd. Als de werknemers wilden voorkomen dat hun baas zou worden doodgeschoten, dan moest iedereen weer aan het werk gaan, hetgeen geschiedde. Vijf maanden bleef Frits Philips in arrest en moest hij de dagelijkse leiding volledig overlaten aan de nazi-beheerders, die de productie en uitvoer naar Duitsland verder opvoerden. Alleen sommige personeelsleden, ook in de hoogste regionen, pleegden verzet.

In september 1944 werd Eindhoven bevrijd, maar alvorens de vlucht te nemen lieten de beheerders zoveel mogelijk machines, grondstoffen en voorraden gereed product naar hun Heimat overbrengen. Dr. L. de Jong, de geschiedschrijver van het Koninkrijk der Nederlanden in oorlogstijd, becijferde dat Philips Eindhoven gedurende de jaren 1940-45 in totaal voor circa 200 miljoen gulden aan Duitse opdrachten uitvoerde, hoofdzakelijk voor de Luftwaffe. Volgens Blanken wijkt dit cijfer slechts in beperkte mate af van de in het bedrijfsarchief bewaard gebleven gegevens. Zelf komt Blanken uit op een bedrag van 188 miljoen gulden.

Ondanks al deze openhartigheid mankeert er iets aan het werk van Blanken: wat hij naar voren brengt was grotendeels al eerder bekend uit onder meer het werk van dr. L. de Jong, Ad Teulings (Geschiedenis en praktijk van een wereldconcern), Frans Dekkers (Eindhoven 1933-1945) en het door mijzelf opgetekende hoofdstuk over Philips in De aartsvaders. Blanken had de niet aan anderen geboden mogelijkheid alle archiefstukken er op na te slaan en lustig te citeren. Dat laatste heeft hij vrijwel nagelaten; hij meldt slechts de droge feiten. Ook komen we niets aan de weet over de niet geringe activiteiten van de Philipsfabrieken in Duitsland, Oostenrijk, Polen, Hongarije, Tsjechoslowakije, Roemenië en andere bezette gebieden. Blanken verklaart deze omissie uit een gebrek aan archiefmateriaal, maar had hij dan geen getuigen kunnen horen?

Kortom: toch een gemiste kans. Waarom niet in één keer het gehele verhaal nu eens tot in details verteld? Dàt had pas echt van moed getuigd. Geen enkele consument zou er vermoedelijk één gloeilamp, broodrooster of staafmixer minder om hebben gekocht, maar wel zouden we dan veel meer hebben geweten over het nog vrijwel onontgonnen gebied van de Nederlandse economische geschiedenis in oorlogstijd.