In Liefde Bloeyende

Gerrit Kouwenaar (geb. 1923)

Men moet

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis

nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker

de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters

een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen

zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder

het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge -

Hier laat een man zien wat hij na een lange tocht, vlak voor de eindstreep, nog in zijn rugzak heeft. Een voor een pakt hij de overgebleven artikelen uit en hij staat ons toe er een korte blik op te werpen. Hij is op zijn tocht duidelijk veel ballast kwijt geraakt. We beseffen dat elk artikel dat hij ons nu toont essentieel is - dat het te maken heeft met de laatste dingen.

Het gedicht is een opsomming - men moet, men moet, men moet - en dat verleent het een klinisch karakter. Tegelijkertijd zorgt de evident eschatologische aard van het opgesomde voor een emotionele spanning. Dit gedicht wil het kaalste van het kaalste bieden - het boodschappenlijstje van hem die gaat sterven - maar ook zindert het van warmte en mededogen. Bloedplas, vlinder - het zijn geen geringe woorden. Is er sprake van berusting of van opstandigheid? Van allebei? Van geen van beide? We kunnen alleen constateren dat het gedicht leeft bij de gratie van tegenstellingen.

Zomers, winter. Zwarte kaarsen. Dochters met een harnas. IJswater dat kookt. Bloedplas, inktlint. Ogenblik, horloge. En zo nog een aantal antithesen meer.

Om die zaken ging het natuurlijk altijd bij Kouwenaar. Om het gedicht als een soort object. Als een constructie, en niet als een uitstorting van gevoel. Het moet voor de Kouwenarianen niets minder dan een heiligschennis zijn om te vragen naar emotie en mededogen. Ze zijn er tevreden mee als bij de maestro de woorden binnen het spanningsveld van een gedicht op hun stoffelijkheid geëxploreerd kunnen worden. Voor hen is poëzie in de eerste en de laatste plaats een onderzoek naar de organisatiemogelijkheden van verbale structuren. Ik noem maar wat theoretische prietpraat. Helemaal onzin is zo'n zienswijze op de poëzie niet, al komt het theoretiseren vaak neer op het vaststellen dat de regen nat is en de bal rond. Het gaat in gedichten altijd om woorden en om wat die elkaar binnen een gedicht al of niet aandoen. Gedichten worden niet geschreven met bananen die elkaar in een boom met de rug aankijken. Waar de ware gelovigen zich eigenlijk tegen verzetten is tegen het soort poëzielezers dat van een gedicht uitsluitend troost, een wijze les of een fysieke ontroering - met echte tranen - verlangt. Maar zijn zulke poëzielezers er nog?

Zouden er ook echt nog kunstliefhebbers bestaan die in een schilderij op zoek zijn naar een verhaaltje? Die werkelijk alleen maar willen weten wat het voorstelt? Laat me niet lachen. Zulke kijkers zijn er allang niet meer. Elke kruistocht tegen zo'n kunstbeschouwing is een schijngevecht. De ontwikkeling van de twintigste-eeuwse kunst heeft er voor gezorgd dat wij, moderne toeschouwers, ook in alle figuratieve en half-figuratieve voorstellingen het geheel van vlakken, lijnen, compositie (en noem maar op) in onze waarneming meenemen. We kijken niet alleen anders naar kunst dan vroeger, we kijken ook anders naar vroegere kunst. Een zeventiende-eeuwse schilder die zijn horizon ineens heel laag of juist heel hoog zette was voor de negentiende-eeuwse liefhebber misschien een excentriek, wij zien meteen wat die schilder daar schilderkunstig mee beoogde. Een exploratie van de organisatiemogelijkheden van vlakstructuren, jawel.

Zo is het ook met de poëzie. De moderne lezer ontkomt er niet aan - het is een automatisme geworden - alle poëzie te lezen in het bewustzijn van wat er de laatste eeuw op poëtisch gebied is gebeurd. Mallarmé, Dada. Ook bij de zogenaamd verhalende of anekdotische poëzie kijkt hij mede naar de vormen en structuren. Naar de permanente exploratie van de stoffelijkheid, om het bombastisch uit te drukken. Wie dat niet doet - op die manier lezen - is een achterlijke poëzie-lezer. De verdedigers van Kouwenaar - vaak Kouwenaarder dan de meester - zijn wat dat betreft ook meestal bezig met schijngevechten.

Een gedicht als Men moet bewijst het achterhaalde en vruchteloze van de discussie. Het gedicht als een zelfstandig iets of het gedicht als een manier om te communiceren - het gaat niet om het een of het ander, het is ook niet het een en het ander, het gaat om een spanning tussen beide. Een spanning die erop berust dat men iets open laat. Men moet is een gedicht dat niet kiest tussen opstandigheid en berusting. Men moet - we kunnen het lezen als gij zult en als je mag. Als een laatste gebod of als een laatste troost. Maar de dichter schrijft geen van beide, hij schrijft Men moet - en elke interpretatie doet het gedicht te kort, hoeveel het voor een lezer ook kan betekenen en hoe legitiem het voor hem ook is om het naar-zich-toe te interpreteren, in de geest van zijn eigen gevoelens.

Zonder dat hier één concessie wordt gedaan aan een hermetische poëzie-opvatting hebben we er met Men moet - pas in 1996 gepubliceerd - een van de aangrijpendste gedichten van de Nederlandse poëzie bij gekregen. Elke uitleg lijkt overbodig bij deze eindfactuur van een mensenleven. De hoopvolheid strijdt met de hopeloosheid, zoveel is spontaan duidelijk. 'IJswater koken leren.' Het liggend streepje waarmee het gedicht besluit - als om te zeggen: hier ontbreekt een punt - het is het meest luidruchtige leesteken dat ik ken.