In de wijk; De wijkagent als gebiedsmentor

Politiewerk is niet alleen een kwestie van de harde hand, maar ook van de zachte zorgverlening. Over de politie als bezemwagen van de samenleving.

TOEN FRANS SWIERINGA op een zondag in 1971 in zijn splinternieuwe politie-uniform op het kerkplein stond, ging de hoogmis uit. Na God was hij aan de beurt om eerbewijzen te ontvangen. “Daar stond ik als manneke van achttien jaar, stomverbaasd omdat alle mannen de hoed voor mij afnamen en mij groetten met: morgen, heer”.

Er was op het Limburgse platteland nog ontzag voor het uniform. Als in de zomer een kastelein belde omdat de jongens uit het dorp op de vuist gingen met toeristen liep Swieringa met een collega het café binnen, sloeg drie keer met de gummiknuppel op de bar en de zaak was weer rustig. En als een leerling bij zijn school een ruit had ingegooid, werd dat bij de politie gemeld. “Dan liet ik zo'n jongen op het bureau komen voor een bestraffend toespraakje. Die begon dan meteen te huilen. 'U vertelt het toch niet tegen mijn vader?', snikte hij dan.”

Zesentwintig jaar later kijkt Swieringa, inmiddels hoofdinspecteur en chef van de basiseenheid Heerlen-Zuid, met verbazing terug op de snelheid waarmee het gezag is verdwenen. “Wanneer je nu een jonge vandaal in zijn arm knijpt, begint hij te schreeuwen dat zijn vader een klacht zal indienen.”

Bij zoveel maatschappelijke verandering en verbazing ontging het de politie dat ze het contact met de burgers kwijtraakte, zegt Swieringa schuldbewust. “We dachten dat wij wel wisten wat goed was voor de burgers. Dat was boeven vangen. Als iemand kwam melden dat zijn fiets was gestolen, stempelden wij een formuliertje af voor de verzekering. Dat is typisch iets waardoor de mensen zijn gaan denken dat het geen zin heeft naar de politie te gaan, tenzij je een papiertje nodig hebt voor de verzekering. Wij hebben wel eens tien drugshandelaren kunnen oppakken en drie kilo heroïne in beslag genomen. Dat had ons enorm veel moeite gekost en we voelden ons geweldig, maar de burger zag dat anders. Die zag liever zijn fiets terug. En nu kost het ons alle moeite ervoor te zorgen dat die burger met een andere bedoeling naar het bureau komt dan een briefje voor zijn verzekering te halen.”

De Politiewet vermeldt plechtig dat de politietaak tweeledig is: rechtshandhaving en hulpverlening. Commissaris Barry de Koningh, die ruim twee jaar geleden van Amsterdam naar Venlo verhuisde om chef te worden van het nieuwe district Venlo, vertaalt die begrippen in veiligheid en leefbaarheid. “De burger moet op straat kunnen lopen zonder angst dat je tasje wordt geroofd, dat je fiets intussen wordt gestolen of dat je uitglijdt over de hondenpoep. Leven in een veilige en schone omgeving dus.”

Voordat hij twee jaar geleden naar Venlo kwam, had De Koningh 27 jaar in Amsterdam gewerkt, onder andere in Oost en in de Warmoesstraat. Hij heeft de Limburgers nooit willen voorhouden dat ze niet moeten mopperen omdat het in Amsterdam nog veel slechter is gesteld met de veiligheid dan in Venlo. “Ieder heeft recht op zijn eigen gevoel van veiligheid. Als iemand belt met de klacht dat er een zwerver voor zijn deur ligt te snurken, moet ik niet denken: ach, die man doet toch geen kwaad. We sturen daar onze mensen op af. Die zoeken dan een plek bij het Leger des Heils en als het echt niet anders kan, leggen we hem in het park waar hij niemand in de weg ligt. Natuurlijk gunnen we die mensen ook wel eens een nachtje in de cel als het vriest, ook al is dat niet volgens de regels.”

Dat een voormalige collega van het bureau Warmoesstraat in opspraak is gekomen door de dood van een zwerver die naar buiten werd gegooid, wekt zichtbaar irritatie bij De Koningh. “Men beseft niet dat na zes uur 's avonds, als alle andere hulpinstanties dichtgaan, alle problemen bij ons terechtkomen. Echtelijke ruzies, psychische nood, de buurman die de stereo te hard heeft staan - daarvoor moeten wij dan maar een oplossing zien te vinden. Ik begrijp ook niet dat de familie van die Amsterdamse zwerver zoveel bezwaren maakt tegen de houding van de politie. Waarom hebben zij niet eerder een hand uitgestoken om te voorkomen dat hun familielid in die situatie terechtkwam? Als iemand ons belt met de mededeling dat er iemand in het water is gevallen, denk ik wel eens: waarom probeer je hem zelf niet te redden in plaats van op je klokje te staan kijken of de politie wel op tijd komt?”

De Venlose agente José Vermazeren werd vorige week nog door de RIAGG te hulpgeroepen omdat een patiënt met suïcideneigingen zich hevig verzette tegen een spoedopname in een psychiatrische inrichting. “Ik begrijp wel dat je iemand niet zomaar kunt opsluiten, maar ik ben een hele middag bezig geweest om die man in bedwang te houden totdat de papieren in orde waren en de burgemeester zijn handtekening eronder kon zetten. Is dat nu míjn werk, dacht ik steeds.”

Terwijl ze dat vertelt, stuurt haar collega Serge Strijbos de patrouillewagen door de Venlose binnenstad. Telkens wanneer de auto in de buurt komt van de Maaskade wordt ergens een deal verstoord. Dan schiet een aftandse Duitse auto weg, gewaarschuwd door een van de knapen die op iedere straathoek op de uitkijk staan. Frustrerend? “Nou ja, als we de overlast maar kunnen beperken”, zegt de agente gelaten.

In Venlo en ook in andere steden is iedere melding van een losliggende stoeptegel, een kapotte straatlantaarn, graffiti op de muur of een lastige buurjongen weer welkom bij de politie. In de wijken loopt het blauw weer op straat en houdt het spreekuur in het wijkgebouw. In Venlo-Noord (de vroegere probleemwijk Genooi, die tegenwoordig anders heet maar nog steeds dezelfde problemen heeft) is brigadier Wiel de Jong actief als gebiedsmentor. Zo wordt de wijkagent-nieuwe-stijl genoemd, als hij geen netwerkcoördinator heet. Hij is het oor en het oog van de politie op plaatsen waar de problemen ontstaan. De Jong weet waar mensen dreigen te vereenzamen, waar dementerende bejaarden wonen, waar iemand zich iedere dag lam zuipt, waar bewoners de huur en andere rekeningen niet meer kunnen betalen of waar de aspirant-dealers wonen. Hij wordt er op straat over aangesproken of hoort het op zijn wekelijkse spreekuur in het wijkgebouw. Daar overlegt hij ook geregeld met andere instanties die hetzelfde gebouw gebruiken: de woningbouwvereniging, het opbouwwerk, de gemeente, de stadswachten en het wijkoverleg. Gevraagd naar een tastbaar resultaat van het nieuwe wijkbeheer schiet een van de wijkvertegenwoordigers een goed voorbeeld te binnen: “We zijn nu eindelijk verlost van de aanhangwagentjes en winkelwagentjes die overal rondslingerden.” “Je kunt niet meer werken als de boeman met het opgestoken vingertje”, meent De Jong. “Wij overleggen met alle mogelijke instanties hoe we een probleem kunnen oplossen voordat het uit de hand loopt. Het kan zijn dat ik eens met de ouders ga praten van een jongen die uit school wegblijft, maar even zo goed kan een probleem worden gemeld bij de huisarts of bij de woningbouwvereniging die op zoek gaat naar een andere woning.” Nog radicaler is de oplossing die de gemeente heeft bedacht. Hele straten met huizen die opvallen door hun slechte staat en hun zware rolluiken worden afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw. Op een kaalgeslagen terrein middenin de wijk staan nog drie losse huizen waar prostituees achter verlichte ramen zitten en groepjes zestienjarige jongens op scooters wachten op een opdracht van een dealer. “Die zijn al te ver heen”, merkt De Jong op.

Of het nu komt door de verandering van de eigen manier van werken of door de verschraling van sociale voorzieningen, De Jong in Venlo en Swieringa in Heerlen constateren dat er een categorie mensen ontstaat met wie niemand meer raad weet en die dus bij de politie terechtkomt. “De Nederlandse samenleving is van een zorgmaatschappij een zelfzorgmaatschappij aan het worden”, zegt De Jong. “Je kunt merken dat er vroeger altijd wel geld was voor een oplossing. Nu moeten we bijvoorbeeld mensen met psychische problemen laten rondlopen van wie ik zeg dat het niet kan, maar die volgens de psychiater net niet aan de criteria voor een opname voldoen. Die houden we toch in de gaten omdat wij ons verantwoordelijk voelen. Wie zou dat anders doen?”

Frans Swieringa telde onlangs op een vergadering twintig verschillende hulpinstanties, maar dat wil nog niet zeggen dat er voor ieder probleemgeval een oplossing is. Hij geeft toe dat de Heerlense politie zich uit machteloosheid wel eens gedwongen ziet daklozen 's nachts in de richting van het hertenkamp te brengen. “Dat is dan jammer voor de herten en de geiten, want die sturen ze naar buiten en dan kunnen ze zelf op het stro slapen.”