Fo: Ik had het geluk dat ik een man was

“Alle grote toneelschrijvers zijn vóór alles acteurs en regisseurs,” zei Nobelprijswinnaar Dario Fo gisteren tijdens een bezoek aan de Frankfurter Buchmesse.

FRANKFURT A/M, 16 OKT. De nieuwbakken laureaat zei het met een tevreden lach: het toekennen van de Nobelprijs voor literatuur aan een criticus van de katholieke kerk kun je zien als een geslaagde Zweedse provocatie. En de beslissing is bovendien te beschouwen als een politieke daad, “omdat ze getuigt van een goed gevoel voor maatschappelijke verhoudingen.”

Dario Fo, geëngageerd toneelmaker en winnaar van de Nobelprijs voor literatuur 1997, deed gisteren even de Frankfurter Buchmesse aan. Gekleed in een fel oranje hemd, en pratend in een tempo dat zijn Duitse vertaler nauwelijks kon bijbenen, beantwoordde hij de vragen van een zaal vol journalisten.

Ja, zijn lauwering was op veel kritiek gestuit in conservatief Italië. En ja, hij had het nieuws vernomen op de snelweg, toen een bevriende journalist bij het passeren van zijn auto een bordje omhoog hield met daarop 'Dario, je hebt de Nobel!' Maar nee, het was geen complete verrassing voor hem geweest: “25 jaar geleden was ik er volgens ingewijden ook al dicht bij, maar toen hebben ze prijs aan iemand anders gegeven, van wie ik de naam vergeten ben.”

Op de kritisch bedoelde vraag van een Duitse journaliste of Fo de Nobelprijs niet begin jaren zeventig had moeten krijgen, toen hij als toneelschrijver op zijn hoogtepunt was, antwoordde Fo quasi-gekwetst dat hij sindsdien heus nog wel mooie stukken had geschreven: “Mistero buffo en De dood van een anarchist bijvoorbeeld, zijn nog geen twintig jaar oud.” En ook een andere kritische vraag - bent U niet meer een toneelspeler dan een schrijver? - pareerde hij met klem. Verwijzend naar Brecht en Molière stelde hij “dat alle grote toneelschrijvers vóór alles toneelspelers en regisseurs zijn.”

In een ander opzicht toonde Dario Fo zich allesbehalve een nieuwe Brecht. Terwijl de Duitse theaterman (bijgenaamd de 'literaire ekster') zijn geliefden toneelstukken liet schrijven om daar vervolgens zijn eigen naam onder te zetten, gaf Dario Fo alle eer aan zijn vrouw Franca Rame, met wie hij het grootste deel van zijn toneelwerk samen schreef.

“Die Nobelprijs had naar ons allebei kunnen gaan,” zei hij, “maar in dit soort gevallen denkt men altijd dat de man het meeste werk heeft gedaan. Ik had het geluk dat ik een man was.”

Dario Fo vertelde ook nog dat hij had gehoord dat hij in de strijd om de Nobelprijs op het nippertje twee Portugese schrijvers achter zich had gelaten: José Saramago en António Lobo Antunes.

Met een knipoog excuseerde hij zich tegenover Portugal, dat tijdens deze Buchmesse themaland is, en kondigde hij aan dat hij iets zou gaan doen om de betrekkingen met Portugal te herstellen. “Nee, ik denk niet aan een toneelstuk over Vasco da Gama; maar ik beloof dat ik de Portugese schrijvers zeer aandachtig zal gaan lezen.”