Een uitgekleed park

Wat doe je met vijanden? Je noemt ze vrienden, en dan komt alles misschien toch nog goed. Het is de aanpak die de UNESCO volgt rond het natuurpark Kutai in het noord-oosten van Kalimantan. Men neme een natuurpark van wereldklasse, enkele kapbedrijven, een oliemaatschappij, een steenkoolbedrijf, een gasbedrijf en een cement-industrie, schudt die door elkaar met twee delen welwillendheid en diplomatieke beleefdheid en wat krijgt men: een uitgekleed park met vrienden.

Voeg aan het geheel nog bosbranden toe, bevolkingsdruk en een tot natuur-uitverkoop neigende overheid, en je bent al bijna klaar. Het ooit roemruchte natuurreservaat Kutai staat er niet best voor.

Het aantal nationale parken in het Indonesische deel van Borneo is behoorlijk. Maar het aantal dat in de wetenschappelijk erkende rij 'gaan snel te gronde als er nu niets gebeurt' staat is ook groot. Daar zijn niet eens branden voor nodig. Ze helpen natuurlijk wel.

Die aangestoken bosbranden die nu Kalimantan teisteren zijn niets nieuws. Andere hebben hun sporen al nagelaten. Zestig jaar geleden besloeg Kutai drieduizend vierkante kilometer eersteklas regenwoud. Begin jaren zeventig werd eenderde van het toenmalige wildreservaat uitgegeven aan kapmaatschappijen. Begin jaren tachtig, toen de status Nationaal Park er eenmaal was, werd het getroffen door de tot dan toe hevigste bosbranden in de geschiedenis van Kalimantan; meer dan de helft van het park verkoolde. Onaangetast bos is dankzij de door kathedraal-hoge bomen beschaduwde, vochtige ondergrond goed beschermd tegen vuur. Het gras of kreupelhout dat na uitdunning of kaalkap de kop opsteekt is dat niet.

Na dat echec werd ook nog in het park gekapt. Kapwegen splitsen het park in verschillende, nu heel toegankelijke delen. Naast talloze landbouwers vestigden zich een kunstmestfabriek en een steenkoolmijn binnen het park; er omheen verdringen zich andere industrieën.

Buiten Kutai is het wat kaal. Een Indonesische natuurbeschermer vertelt wijzend op ontboste vlakten: “Kapmaatschappijen zijn gebonden aan eco-regels voor heraanplant. Buiten een natuurpark kunnen ze daar onderuit komen door zich 'plantage-aanlegmaatschappij' te noemen. Ze hebben dan met het opleveren van boomloze grond dubbele winst. Binnen natuurparken is er een andere aanpak: zonder ingrijpen toezien hoe mensen het gekapte gebied snel bezetten voor bewoning en landbouw, of hun komst zelfs te stimuleren. Dan valt er niets meer aan te planten. Overmacht.”

Kutai zelf draagt nog de sporen van bosbranden. Die ontstonden, net als die nu elders in Kalimantan tekeergaan, uit door vooral kapbedrijven aangestoken vuur voor het platbranden van percelen. De gaten die in de jaren tachtig werden geslagen zijn direct bezet. Zelden zie je zoveel huizen in beschermd natuurgebied. In zo'n kostbaar Nationaal Park als Kutai verwacht je wat kleine plantages. Maar niet van die uitgestrekte, aaneengeschakelde voetbalvelden met bananen. Reservaatsborden - 'beschermd bosgebied' - staan onveranderlijk langs uitgebreide plantages of voor een inmiddels erg eenzame, dode woudreus tussen kreupelhout. Je zou er haast lacherig van worden. Maar het gaat hier om een gebied dat woonruimte zou moeten bieden aan, om maar wat te noemen, orang-oetans, bijzondere langoeren (slanke, bladetende apen) en nevelpanters.

Een kleine kern echt regenwoud blijkt in ieder geval groot genoeg voor een gezonde populatie bloedzuigers die de bezoeker vol verwachting met geheven kopjes komt begroeten. Aangevreten vruchten met mensaap-signatuur op de bosbodem, een zich via ruisend doorbuigende boomtakken verwijderende grote gestalte, nesten: ze zitten er nog, orang-oetans. Maar het lijkt niet van harte. Een orang-oetan heeft vele kilometers echt bos nodig. Dit betrekkelijk kleine stuk lijkt niet voldoende mensapen te kunnen herbergen om inteelt te voorkomen, en migratiemogelijkheden zijn weggekapt.

Zelfs het machtig gezang van gibbons lijkt hier wat dunnetjes te klinken. Aan de andere zijde van het tot aan zee doorlopende natuurpark hebben flegmatiek ogende neusapen vanuit hun mangroven uitzicht op een raffinaderij.

Intussen verkondigen glanzende brochures hoe de plaatselijke industrie de natuur gaat redden. De nieuwe, door de UNESCO verenigde 'Friends of Kutai' zijn nu net die bedrijven die de omgeving van het park zodanig bewerkt hebben dat het natuurgebied een geïsoleerd eiland is geworden. Nu is het park steeds vaker zelf aan de beurt. Af en toe komt men, op uitnodiging van de UNESCO, in overleg samen om harmonieuze exploitatie te bepraten en wat geld in een natuurpotje te storten. “Natuurlijk is het cynisch. Als je ziet hoe diezelfde bedrijven al de hele omgeving van dit natuurpark onderuit hebben gehaald. They fucked up everything outside”, zegt Mick Jeffery. Hij heeft enige geloofwaardigheid, want hij werkt zelf voor UNESCO. De wat gedesillusioneerde maar goedlachse Australiër coördineert het contact tussen de acht betrokken bedrijven en de regering. “Om vriend te zijn hebben ze geen bijzondere toezeggingen hoeven te doen. En de bedragen die ze binnen brengen stellen niet veel voor - zeker niet voor de bedrijven zelf. Het is maar een heel klein deel van wat ze rechtstreeks aan geld uit Kutai halen.”

Dat hun natuurliefde ondanks de beleden vriendschap niet diep reikt, bleek begin dit jaar. Het steenkoolbedrijf gaf te kennen een deel van het park af te willen graven. Er werden wat wenkbrauwen opgetrokken: het ging hier om de helft van het park. De UNESCO, doorgaans zeer beleefd, trok nu een grens. De organisatie dreigde zich terug te trekken - inclusief VN-gelden voor natuurbescherming en ontwikkeling. Na enige ruzie blijft nieuwe kaalslag door mijnen beperkt tot een kleiner gebied. Maar uiteindelijk is het doel van de organisatie nu juist, zoals dat hoort bij natuur- en ontwikkelingsprojecten, zich binnen enkele jaren terug te trekken. De bedoeling is dat de overheid de vriendenclub verder zal sturen. Jeffery, met een brede grijns: “Dan ligt de bal bij de regering. Wat er dan zal gebeuren? Verzin zelf maar. Ik heb er een hard hoofd in dat die het tijdrovend overleggen met 'de Vrienden van Kutai' zal overnemen. Je kunt hopen dat het goed gaat. Wel, tegen die tijd hoop ik weer in Australië te zitten.”

Van je vrienden moet je het maar hebben.