Weinig speelruimte in ruzie EU-VS over boycotwetten

De Europese Unie en de Verenigde Staten zijn al maanden in gesprek over omstreden Amerikaanse boycotwetten tegen Iran en Cuba. Niemand wil het tot een openlijk conflict laten komen. Maar de handels- en oliebelangen zijn groot en de druk van het Amerikaanse Congres neemt toe.

ROTTERDAM, 15 OKT. Vandaag zou uit Brussel en Washington het verlossende woord moeten komen: krijgen Europese ondernemingen die flink in Iran en Cuba investeren van Uncle Sam op hun kop of niet? Zal president Clinton het Franse olie- en gasbedrijf Total straffen voor het miljardencontract met Iran, de Russische partner Gazprom en het Maleisische Petronas, dat op 28 september werd ondertekend?

Tot vandaag hadden de Amerikaanse onderhandelaars en de Europese Commissie zich de tijd gegund om tot een compromis te komen, maar de partijen maakten gisteren bekend dat ze voorlopig door onderhandelen. Tijdrekken is het geijkte recept in het diplomatiek verkeer als er grote belangen op het spel staan en een openlijk conflict moet worden afgewend.

Het gaat om de toepassing door de VS van twee wetten: de Helms-Burton Act, die beperkingen oplegt aan Europese investeringen in Cuba en de Iran-Libya Sanctions Act die Amerikaanse en buitenlandse investeringen in die twee landen praktisch onmogelijk wil maken. Europa is daar fel op tegen. Amerikaanse sancties tegen Total bijvoorbeeld betekenen sancties tegen de Europese Unie, en dat levert een ruzie op die in het ergste geval in een handelsoorlog kan ontaarden. Maar beide delegaties verzekerden gisteren dat daar geen sprake van zal zijn.

'Brussel' en alle EU-lidstaten zijn ferm in hun oordeel dat Amerikaanse wetgeving (in dit geval de sanctiewet tegen Libië en Iran, oorspronkelijk aanhangig gemaakt door de Republikeinse senator D'Amato) slechts voor Amerikanen geldt en geen extraterritoriale werking mag krijgen.

“Onaanvaardbaar” heette het in verscheidene nota's van de Europese Commissie aan Washington over de sanctiewetten. Toen het dreigement van sancties twee weken geleden van Amerikaanse zijde werd herhaald nadat het contract van Total bekend werd, protesteerde de Europese Commissaris voor handelszaken Sir Leon Brittan opnieuw in ferme taal. Hij liet weten dat de EU in het geval van sancties een klacht zal indienen bij de Wereld Handelsorganisatie (WTO) in Genève. De reactie uit Washington liet niet op zich wachten: “Zo'n klacht zullen we naast ons neerleggen.”

Zo'n vaart zal het wel niet lopen, wordt nu in Brussel verwacht. Het dreigement van de klacht is van tafel gehaald. Druk telefoonverkeer tussen het Witte Huis en Brussel leidde de afgelopen weken tot nader overleg: onderminister van Handel Stewart Eisenstadt toog naar de Europese hoofdstad.

Zelfs de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, die aanvankelijk de Franse regering en de Europese Commissie met harde commentaren in de gordijnen joeg, probeerde olie op de golven te gooien. Het Total-contract zou op strijdigheid met de sanctiewet worden onderzocht. Een uitzondering op de toepassing van de sanctiewet is mogelijk, gaf ze aan, als de Europese 'partners' zich maar bereid tonen tot een hardere houding jegens Iran (“een bandietenstaat”) waar het gaat om de steun aan het terrorisme gericht tegen Israel en het dwarsbomen van het vredesproces.

Toch is de speelruimte voor beide partijen gering en het tijdrekken kan niet voortduren want het Amerikaanse Congres eist duidelijkheid. Europa wil het bewind van de nieuwe, gematigde Iraanse president Khatami een kans geven. Terugkeer van alle West-Europese ambassadeurs naar Teheran, inclusief de Duitse die nog niet welkom is in Iran, zou een eerste stap in de goede richting zijn. Daar moeten de Amerikanen dan maar genoegen mee nemen. De Europese Unie poogt de kritische dialoog met Teheran weer vlot te trekken na de ruzie over de uitspraak van het Duitse Hooggerechtshof in april dat “de hoogste autoriteiten van de Iraanse staat” opdracht hadden gegeven tot de moorden op drie Iraans-Koerdische oppositiepolitici en hun tolk in het restaurant Mykonos in Berlijn in 1992.

Op de achtergrond spelen grote handelsbelangen. Europa wordt op termijn voor zijn olievoorziening steeds afhankelijker van het Midden-Oosten en wil voorkomen dat Iran straks alleen nog maar zaken doet met Rusland. Tegelijk proberen Centraal-Aziatische landen als Turkmenistan, Kazachstan, Azerbajdzjan en Kirgizië, stuk voor stuk rijk aan olie en gas, uit de greep van Rusland te komen door een exportpositie op te bouwen. Nu zijn ze voor export van olie en gas nog aangewezen op het centrale Russische pijpleidingsysteem. Voor eigen transportleidingen naar Turkije en via dat land naar de Middellandse Zee (West-Europa en de Verenigde Staten) zijn ze ook afhankelijk van Iran. De Amerikaanse pogingen om Iran te isoleren zouden deze landen juist weer in de handen van de Russen drijven.

President Clinton moet al zijn politieke lenigheid uit de kast halen, want als hij het Total-contract zomaar laat passeren riskeert hij grote tegenstand van het Congres. Immers, beide huizen van het Amerikaanse parlement stemden in juli vorig jaar unaniem voor de compromiswet die gericht is op economische en politieke isolering van zowel Iran als Libië.

Amerikaanse en buitenlandse ondernemingen die voor meer dan 20 miljoen dollar in Iran investeren en voor 40 miljoen in Libië kunnen volgens die wet door een keur van financiële en commerciële maatregelen worden gestraft. Het Total-contract (gaswinning in de Golf, of op Iraans gebied) is goed voor 4 miljard dollar. Als dat zonder concessies van West-Europa kan doorgaan, zullen meer Europese ondernemingen hun geluk gaan beproeven in het olie- en gasrijke Iran en dat zou leiden tot een pijnlijke vernedering van zowel de Amerikaanse regering als het Congres. Het Franse concern Elf Aquitaine heeft al plannen bekendgemaakt voor grote olieprojecten in Iran die de investeringsgrens van Washington verre overtreffen.

Total trotseert de Amerikaanse dreiging omdat het maar weinig productie- en verkoopbelangen in de VS heeft, maar Elf haalt 15 procent van zijn omzet uit de VS en wacht daarom voorzichtig de Amerikaanse reactie af voor het contracten met Iran tekent. Hetzelfde geldt voor Shell, dat eveneens een groot gasproject in Iran op het oog heeft, maar pas in 1999 denkt te gaan investeren, als de politieke omstandigheden dan althans zijn verbeterd.

Shell bevestigde maandag ook in gesprek te zijn met de Turkmeense autoriteiten over aanleg van een gaspijpleiding van dat land, mogelijk via Iran, naar Turkije. Dit project is eerder dit jaar uitdrukkelijk door president Clinton uitgezonderd van sancties, omdat het hier niet gaat om Iraans, maar Turkmeens gas. De Nederlands-Britse oliemaatschappij neemt geen enkel politiek risico waar de Verenigde Staten in het geding zijn, want haar grootste dochtermaatschappij is het Amerikaanse Shell Oil. Dat bedrijf heeft gigantische belangen in de olie- en gaswinning binnen en buiten de VS alsook in de chemie, raffinage en verkoop van olieproducten in dat land.