Warenonderzoek voor landen is politieke mode

Minister Wijers presenteerde gisteren een toets van Nederlands concurrentiepositie. Internationalisering maakt vergelijkingen tussen landen geliefd in Den Haag, maar onderzoek is lastig.

DEN HAAG, 15 OKT.De klant die met een knipseltje uit de Consumentengids in de binnenzak of handtas de winkel binnenstapt voor een vaatwasser of stereotoren is al jaren een vertrouwd gezicht in Nederland. De politicus of ondernemer die met een vergelijkend landenonderzoek het spreekgestoelte beklimt begint dat zo langzamerhand ook te worden.

De Consumentenbond publiceert vandaag zijn jaarlijkse boek met vergelijkende warenonderzoeken naar wasmachines, televisies en persoonlijke leningen. Minister Wijers (Economische Zaken) kwam gisteren naar buiten met een vergelijkend onderzoek naar werk, belastingen en scholing in verschillende landen. 'Concurrentietoets 1997' heet Wijers' studie, die vooral bedoeld is voor politici en ambtenaren.

'Benchmarking', zoals dit verschijnsel met een onvermijdelijk Engelse term wordt aangeduid, is 'in' onder beleidsmakers in Den Haag. Onder consultants is vergelijkend onderzoek al heel lang een geliefde methode om ondernemingen en overheden compleet met lichtbeelden te overtuigen van nieuwe markten en kansen. In Den Haag is oud-consultant Wijers de trendsetter, met zijn grote voorliefde voor internationale benchmarks, waarvoor het woordenboek 'standaard' en 'criterium' als vertaling geeft.

Zijn ministerie van Economische Zaken publiceerde in 1995 al een beknoptere versie van de concurrentietoets. Een jaar later kwam Sociale Zaken met een toets voor de verzorgingsstaat en Verkeer en Waterstaat met een voor de snelwegen, spoorlijnen en havens. Het adviesbureau McKinsey haakte onlangs in op de trend door kort voor de presentatie van de Rijksbegroting Boosting the Dutch Economy naar buiten te brengen.

De jacht op vergelijkingsmateriaal komt voort uit de toenemende concurrentie tussen de landen, die het gevolg is van de razendsnelle internationalisering van de wereldeconomie. Een Amerikaanse onderneming die een vestiging in Europa wil vergelijkt in alle landen zaken als loonkosten, arbeidsrust, de infrastructuur en het belastingklimaat. Pensioenfondsen en verzekeraars zoeken wereldwijd naar de beste belegging voor hun miljarden aan premiegelden. Op de exportmarkt neemt het aantal krachtige spelers jaarlijks toe.

Het is om die reden dat regeringen willen weten: waar staan wij in vergelijking met andere landen? In de concurrentietoets 1997 bijvoorbeeld is Nederland vergeleken met de Verenigde Staten, Japan, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, België en Denemarken - met een redelijke score. Dergelijke vergelijkingen kunnen bovendien duidelijk maken waar een land nog mogelijkheden heeft voor het scheppen van meer welvaart. Als de winkelprijzen in de VS lager liggen, kunnen die in Nederland dan niet ook omlaag?

Internationale vergelijkingen zijn overigens niet nieuw. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) publiceert al jaren vergelijkende cijfers. Het 'World Competitiveness Yearbook' en het 'Global Competitiveness Report' voeren onderling een harde concurrentiestrijd en met de publicaties van de Economist Intelligence Unit. Daarbij gaat het om redelijk globale cijfers, terwijl bijvoorbeeld de concurrentietoets meer poogt in te gaan op achtergronden.

Hoe concreter het rapport, hoe moeilijker landen te vergelijken zijn. Eurostat heeft al maanden geleden uit de verschillende Europese landen data ontvangen over scholing van werknemers. Inmiddels is een Britse universiteit ingehuurd om deze cijfers met elkaar vergelijkbaar te maken. Naar verwachting zal die daarmee nog lange tijd zoet zijn.