Rechter zaait onrust

De wisselende politieke noden van de dag en de voor de eeuwigheid bedoelde rechtsbeginselen komen soms in botsing. De in verdragen vastgelegde mensenrechten, met name de eis van gelijke behandeling, blijken in de belastingheffing door te werken op een manier die politici nerveus maakt. De rechter constateert soms verboden ongelijkheden op plaatsen waar de wetgever die nooit had vermoed; de fiscale gevolgen zijn er niet minder ingrijpend om.

Zekerheidshalve beklagen belastingadviseurs zich er in hun fiscale procedures maar over dat hun cliënten het slachtoffer zijn geworden van een discriminerende wetstoepassing. Op de meest onvoorziene momenten is dat succesvol. Te vaak naar de zin van de Tilburgse emeritus hoogleraar Geppaart. Die behoort op het terrein van de rechtsbescherming tot de belangrijkste adviseurs van staatssecretaris Vermeend (Financiën). Geppaart vindt dat de rechtsspraak is doorgeslagen bij het hanteren van de rechtsbeginselen. Hij ziet een belangrijke taak voor de rechter bij extreme schendingen van de mensenrechten zoals rassendiscriminatie. Maar trivialiteiten zoals de belastbaarheid van koffiegeld of vakantie-uitkeringen vallen voor Geppaart in een andere categorie. Door ook daar onverkort de rechtsbeginselen te hanteren, overschrijdt de rechter al snel de grenzen van zijn bevoegdheid, aldus Geppaart, die verder meent dat de rechter in die gevallen ten onrechte op de stoel van de wetgever gaat zitten.

Inderdaad rijdt de rechterlijke macht de wetgever meer dan eens behoorlijk in de wielen. Dat kan zorgen geven omdat de rechter anders dan de wetgever niet rechtstreeks democratisch gelegitimeerd is. Maar hij heeft wel een cruciale taak bij het handhaven van de rechtsbeginselen van onze democratie. Die overstijgen de politieke noden van de dag en datzelfde mag worden verwacht van de ongebonden rechter als hoeder van de fundamentele waarden. Met die rolverdeling valt politiek best te leven zodra de eerste gevoelens van irritatie zijn weggeëbd. Dat grote principes soms in pietluttige zaken worden uitgevochten, is dan bijkomstig.

Met behoud van de fundamentele rol van de rechter zou inpassing van de algemene rechtsbeginselen soepeler kunnen verlopen als de rechter zich op twee gebieden zou aanpassen. Soms worden complete regelingen van tafel geveegd vanwege een principiële onjuistheid die aanvankelijk niemand opviel of stoorde. Maar ook zulke zaken, al lijken ze pietluttig, moeten worden rechtgezet. Dat wil nu nog wel eens gebeuren door de hele regeling 'met terugwerkende kracht' om zeep te helpen. Dat zorgt voor veel onrust en nieuwe ongelijkheden. Het Duitse Bundesverfassungsgericht pleegt in zo'n geval de wetgever voor de nodige herstelwerkzaamheden nog even de tijd te geven. Die benadering werkt prima.

Ook het Amsterdamse gerechtshof koos voor die aanpak in zijn vorige week gedane uitspraak over de geruchtmakende zaak van het vakantiegeld. Volgens de rechter is het niet helemaal in de haak dat de ontvanger van een vakantiebon wat minder belasting betaalt dan de ontvanger van een gewone vakantie-uitkering. Maar de wetgever is al bezig die ongelijkheid recht te trekken. Daarvoor krijgt hij van de rechter nog even de tijd. De rechter maakt dus geen einde aan de ongerechtvaardigde ongelijkheid door voor iedereen het lage tarief van de vakantiebonnen van toepassing te verklaren. Hij laat dat aan de beter geëquipeerde wetgever over. Zulke genuanceerde rechtspraak is nog schaars.

Verder roept het bij zowel de belastingbetaler als de wetgever weerstand op dat de rechter voor het beoordelen van een zaak royaal de tijd pleegt te nemen. De belastingbetaler moet zich aan strakke termijnen houden bij het voldoen aan zijn fiscale plichten. Inmiddels houdt ook de Belastingdienst zich aan tamelijk scherpe interne termijnen bij het afdoen van zaken. De voortvarende Vermeend heeft bij het maken van wetten een flink tempo aan de dag gelegd. Maar de inefficiënt opererende rechterlijke macht veroorlooft het zich om met jaren treuzelen iedereen in het ongewisse te laten; zelfs over de voortgang van een bepaalde zaak.

De onder de paraplu van onschendbaarheid optredende rechterlijke macht valt daar niet op aan te spreken. Geenszins extreem is de loop van een zaak die duizenden automobilisten aangaat: de betwiste geldigheid van het 24-procentsforfait van de autokostenfictie, een inkomensbijtelling voor het gebruik van een auto-van-de-zaak. Begin 1995 liet de Hoge Raad in een schot voor de boeg weten dat er wel eens iets helemaal fout kon zitten met de regeling. Eind 1995 verklaarde de Bossche belastingrechter de 24-procentsregeling inderdaad onverbindend. Waarschijnlijk wordt het oordeel van de Hoge Raad pas in de loop van 1998 bekend. Een eventuele onverbindend verklaring werkt dan terug. Daardoor worstelen zowel de automobilisten als de Belastingdienst en de wetgever met de voortdurende onzekerheid over de rechtsgeldigheid van de betrokken wetsbepaling. Zulke jarenlange onzekerheid paste misschien in een meer bedaagde tijd maar niet in de huidige samenleving. Die heeft meer moeite met traagheid dan met het inpassen van het gelijkheidsbeginsel.