Paradijs der reuzen

Naast, in en boven de nationale staat leven en groeien de multinationals. De staat is de constructie waarin over het algemeen een volk voor zichzelf op zijn grondgebied orde heeft gevestigd; de multinational is een economische organisatie die over de staatsgrenzen heen reikt en geen oude loyaliteiten kent. Twee grootheden, die op het ogenbik in snelle beweging zijn.

De naties vormen in deze tijd grotere eenheden waarbij ze methoden proberen te vinden om de democratische controle op het bestuur en de zorg voor het welzijn van de burgers niet aan deze staatkundige schaalvergroting op te offeren. Het bijverschijnsel is de groei van de bureaucratie die de bestuurlijke geslotenheid bevordert. In de Europese praktijk van bijna een halve eeuw blijkt dat de nationale identiteit sterker is dan de schaalvergroters of integrationisten hadden gedacht, terwijl de vormen van democratische controle over het groter geheel voor de kiezers te theoretisch blijven. Staatkundige schaalvergroting leidt daardoor ook tot internationalisering van de politieke vervreemding die op haar beurt weer de democratie verzwakt.

De term multinational begint intussen ouderwets te klinken, misschien omdat er in een afgesloten tijdvak een politieke neveninhoud aan werd toegekend. Een multinational was in de Koude Oorlog voor velen een door het kapitalisme gebaarde economische reus, die zich aan iedere controle, zelfs aan die van de aandeelhouders onttrok. Deze zelfstandige reus legde zich er uitsluitend op toe om door middel van ontembare uitbreiding 'de winsten' te verhogen en zijn eigen macht te vergroten. Dan waren er nog zeer grote bedrijven in de nationale economie. Aan het hoofd stonden degenen die met elkaar een kaste vormden. De politiek en het bestuur konden hoog springen of laag springen, maar daar werden in werkelijkheid de lakens uitgedeeld. Anthony Sampson heeft indertijd in zijn Anatomy of Britain geprobeerd hun web van macht te beschrijven - het begin van het genre der 'anatomiëen'. In Nederland werden de 200 van Mertens op zo'n manier geïdentificeerd. Dit grote bedrijfsleven met zijn leiders werd een mythologische kwaliteit toegeschreven.

Door het einde van de Koude Oorlog, de opkomst van de Zuidoost Aziatische economische 'tijgers', de reorganisatie van handel, industrie en verkeer op wereldschaal en de explosie van alle vormen van communicatie zijn de multinationals van weleer, de schaarse reuzen opgenomen in een talrijke, zich soms dagelijks uitbreidende familie. Hun mythologische kwaliteit is verdwenen. Ze zijn min of meer gedomesticeerd en daarmee hebben ze ook hun politieke betekenis als dreigende, geheimzinnige machten verloren. Daarentegen is er een nieuwe, vrij algemeen aanvaarde rechtvaardiging voor hun bestaan gegroeid.

Het overnemen, fuseren, de groei van reusachtige ondernemingen wordt niet meer als een gevaar beschouwd, maar als een noodzaak, een kwestie van overleven waarbij tenslotte iedereen baat kan vinden. Tekenend is deze week de geestdrift waarmee het samengaan van Reed Elsevier en Wolters Kluwer wordt begroet. “In een snel ontwikkelende wereldmarkt is het eten of gegeten worden. Dat ondernemers ervoor kiezen om zelf hun menu te bepalen in plaats van te worden verschranst door de concurrent is zeer te begrijpen”, zo besluit de Volkskrant in niet zeer linkse bewoordingen haar hoofdartikel. En deze krant: “De uitgeversfusie betekent dat Nederland naast de bekende multinationals als Philips, Unilever en Shell alsmede een aantal formidabele financiële instellingen, nu ook de thuisbasis voor een Brits-Nederlands concern van wereldformaat is. Dat mag worden gekoesterd”.

Over de mogelijke noodzaak, de strategische inzichten die aan deze en andere fusies ten grondslag liggen, over nationale trots en de economische voordelen wil ik het niet hebben. Maar afgezien daarvan betekent iedere fusie, in welk soort bedrijvigheid ook, die een gigant doet ontstaan, een geweldige vergroting van de macht dergenen die daar aan het hoofd staan. Hun macht strekt zich uit buiten de verhoudingen die door de markt worden bepaald. Het gaat altijd ook om keuze van vestigingen, organisatie van de bedrijvigheid, afweging van kosten en baten, en dus om het persoonlijk bestaan van het toenemend aantal mensen die van het wel en wee der giganten afhankelijk is. Als het om deze nieuwe multinationals gaat, onttrekken die zich steeds verder aan de invloed, de controle van iedere nationale politiek, ieder nationaal en internationaal bestuur. Anders gezegd, de economische macht der nieuwe concentraties vestigt zich naast de politieke macht van de democratieën waarin ze zijn ontstaan.

Terzijde van de noodzaak en alle zegeningen die men van deze schaalvergrotingen verwacht, dienen zich een paar politieke vragen aan. Als een fusie moet worden gekoesterd, geldt dit dan ook zonder kritiek of institutioneel democratisch wantrouwen voor alles wat deze formidabele macht verder zal ondernemen? Natuurlijk niet, zullen alle betrokkenen antwoorden. Heeft dan de nationale politiek en hebben de internationale organen middelen om die macht te controleren; en hebben ze de wil om daarvan gebruik te maken, ook in het belang van de tienduizenden wier bestaan van de nieuwe giganten afhankelijk is?

Jawel, er bestaat een arbeidswetgeving, een kartelbesluit, nog het een en ander dat de nieuwe giganten in hun groei een aantal gegeven overtredingen kan beletten. Maar dat is gering vergeleken bij de vrijheid die de leiders hebben om hun macht naar eigen inzicht te gebruiken. Nergens in het industriële Westen weet de politiek daarvoor een oplossing. In stilte hoopt men dat de harmonische coëxistentie tussen staatsmacht en economische macht tot in lengte van dagen zal duren. Dat is een paradijselijk vooruitzicht, maar geen politiek.