Loyaliteit

'Maar liefje, het is maar een huwelijksaanzoek, ik vraag je toch niet om levenslange commitment', luidde het onderschrift van een cartoon in The New Yorker, waarop een man met een bosje bloemen te zien was, die een geschrokken vrouw probeerde gerust te stellen. In de wetenschap dat een op de drie huwelijken op echtscheiding uitloopt, lijkt dit inderdaad een realistische no-nonsense uitspraak.

Van hetzelfde kaliber zijn de in Amerika steeds populairder wordende prenuptial agreements, huwelijkse voorwaarden, maar dan veel stringenter dan het standaardpakket, met een precies uitgewerkte opsomming van materiële en financiële entiteiten, waar de partner geen aanspraak op mag maken, in geval van echtscheiding. Wie als minvermogende zijn (meestal haar) handtekening onder een dergelijk document plaatst, kan elke financiële compensatie verder wel vergeten en moet vaak ook de tijdens het huwelijk gekregen cadeaus teruggeven.

Hoe meer er rekening gehouden wordt met mislukking, hoe geringer de kans op succes - dat is de keerzijde van de no-nonsense aanpak. Om te kunnen beginnen aan een huwelijk heb je toch een vorm van heilig vuur nodig, een gevoel van onbekommerdheid over de gemeenschappelijke toekomst. Anders heeft de hele verbintenis geen zin.

Wat voor de liefde geldt, gaat ook op voor het werk. Mensen sluiten huwelijken, omdat het een handige manier is om zich van intimiteit te verzekeren en nageslacht groot te brengen, en mensen werken om geld te verdienen. Maar zowel in een huwelijk als op het werk gaat het ook nog om iets anders: loyaliteit. Zonder lange-termijnperspectief heeft een huwelijk geen basis, zonder loyaliteit is werk een dorre, emotioneel uitputtende aangelegenheid.

De meeste mensen werken niet louter en alleen voor het geld. In de hogere baantjes vinden ze vaak het werk zelf leuk, in de lagere baantjes vinden ze het werk misschien wat minder, maar toch altijd nog beter dan niks. Maar bijna iedereen, hoog of laag in de hiërarchie, is gesteld op de routine van met collega's omgaan en ervaart betrokkenheid met het bedrijf of de instelling. Wie ergens een tijdje werkt, ontwikkelt vanzelf hart voor de zaak, zoals je ook in de loop der jaren gehecht raakt aan de buurt waar je woont.

Onder het motto employability wil Philips de vaste baan vervangen door flexibele (lees: korte-termijn) arbeidscontracten en minister-president Kok trompetterde al even enthousiast mee in zijn toekomstvisie van werkend Nederland: “De baanzekerheid wordt steeds kleiner en wordt vervangen door werkzekerheid.” Mits je je omschoolt natuurlijk. Mits je als werknemer voortdurend op het vinkentouw zit om je in nieuwe veelbelovende beroepssegmenten te bekwamen.

Waarom kan ik me nu nooit een concrete situatie voorstellen, waarin dat idee zinnig en voordelig uitpakt? Ik stel me achtereenvolgens voor: een fysiotherapeut, een receptioniste, een violist, een werker in de postkamer, een schoolmeester, een grafisch tekenaar, een loodgieter, een tandtechnicus, een gevangenisbewaarder, een vuilnisman, een ambtenaar van de griffie. Waarom zouden al deze mensen zich op eigen initiatief op voorhand moeten omscholen, omdat ze misschien niet hun hele leven op dezelfde plek zullen zitten? Bovendien is die hele statica allang uit het werk verdwenen. Nergens bekleedt nog iemand veertig jaar dezelfde functie. In alle iets grotere bedrijven en instellingen is de banencarrousel met carrièreplanning, overstappen naar andere afdelingen, herdefiniëring en herindeling van functies aan de orde van de dag. Nog afgezien van het gemak waarmee ambitieuze werknemers zelf hun baan opzeggen en iets interessanters, dan wel beter betalends aannemen.

Niemand die als vijfentwintigjarige ergens binnenkomt kan verwachten dat hij of zij de komende veertig jaar gebeiteld zit en alleen nog maar hoeft toe te passen wat hij zich in z'n opleiding aan kennis heeft eigen gemaakt. Huisartsen moeten naar opfriscursussen. Verpleeghuisartsen moeten leren communiceren met de familie van terminale patiënten. Alle academici moeten hun vakliteratuur bijhouden. Therapeuten moeten seminars van nieuwlichters volgen. Iedereen die met computers werkt, moet sowieso om de vijf jaar op een geheel nieuw systeem overschakelen. Diplomaten moeten verhuizen. Ambtenaren moeten van specialisme veranderen. Treinconducteurs en lokettisten moeten massaal naar spoedcursussen 'Hoe ga ik om met agressieve klanten?' Dat zou voor tram- en busbestuurders trouwens ook geen kwaad kunnen. De hele horeca moet zich bijscholen op het gebied van klantvriendelijkheid. Docenten moeten leren lesgeven in een studiehuis. Belastingconsulenten moeten zich de nieuwe belastingwetgeving eigen maken. Loodgieters en timmerlieden moeten nieuwe ontwikkelingen in materialen en technieken bijhouden.

Al die dingen zijn noodzakelijk en gebeuren overal. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat werkend Nederland zit te suffen op z'n vaste arbeidsplekje. Voor de zelfstandige werker valt bijscholing onder eigen verantwoordelijkheid, voor de werker in loondienst is het meer de verantwoordelijkheid van de werkgever, van wie je tenslotte mag verwachten dat hij overzicht heeft. Als de werkgever geen overzicht heeft van waar het naar toe moet, dan is het een flutwerkgever die failliet moet gaan of ontslag krijgen.

Het absurde is nu dat ontslag dreigt als de werknemer geen om- dan wel bijscholingsinitiatieven aan de dag legt. Je moet dus eigenlijk beter zijn dan de baas, wil je je baantje houden. In deze opzet van tijdelijke arbeidscontracten, waarin je je leven lang van de ene schots op de andere springt, wordt het principe geschonden van de dubbele loyaliteit tussen werkgever en werknemer. Zoals je geen goed huwelijk bouwt bovenop een wurgcontract, zo kun je geen aangename werksfeer verwachten, als loyaliteit geen deel uitmaakt van de verhouding tussen bedrijf en werknemer. Wat je overhoudt is het Donald Duck-kapitalisme: deze eend wordt voor duizend baantjes aangenomen, maar vliegt er altijd even hard weer uit.