Een zwijgende voyeur en veel gekakel in een heldere fotomontage

Exit. Regie: Paul en Menno de Nooijer. Met: Ricky Koole, Paul de Nooijer, Menno de Nooijer, Marjan Luif. In: Kriterion, Amsterdam; Haags Filmhuis; 't Hoogt, Utrecht; Plaza Futura, Eindhoven.

In de meeste korte films van het vader-en-zoon-duo Paul en Menno de Nooijer wordt weinig gesproken. De taal van hun films is in eerste instantie beeldtaal; vader Paul (1943) is oorspronkelijk fotograaf, en via de omweg van 'experimentele films' die verwant waren aan het werk van Frans Zwartjes, ontwikkelde hij met Menno (1967) een herkenbare eigen stijl, die veelal geëtiketteerd wordt als 'animatie'. Technisch gesproken is dat juist, want de gangbare definitie van animatiefilm is dat elk beeld afzonderlijk opgenomen wordt. Beter zou het zijn hun films te beschouwen als bewegende fotomontages, transformaties in tijd en ruimte. Veelal poseren de meer op broers dan op vertegenwoordigers van verschillende generaties lijkende filmmakers zelf voor hun films. Je zou het ironische zelfportretten zonder woorden kunnen noemen.

Een eerste stijlbreuk vormde in 1994 de wat langere (45 minuten), voor de VPRO-jeugdtelevisie gemaakte film De lachende koe, waarin de acteurs je de oren van de kop praatten.

Hun eerste lange speelfilm Exit is in de vormgeving voor een deel trouw aan de stijl van de fotomontage. De eerste gesproken zin, uit de mond van een jonge vrouw (Ricky Koole), klinkt een beetje als een verwijt: “Jij kijkt eigenlijk alleen maar naar me, als je me fotografeert”. Ze is de vriendin van een fotograaf, die op 28-jarige leeftijd wordt gespeeld door Menno de Nooijer, op oudere leeftijd, in flash-forwards, door zijn vader. Geen van beiden zegt een woord in de film; veel van wat zij zien wordt gefilmd door een luikje in een celdeur. Als het open klikt, herinnert het sterk aan de sluiter van een camera.

De filmer (of fotograaf) als zwijgende voyeur is geen opzienbarende notie, maar wel een adequate omschrijving van de obsessie van de auteurs van Exit. Wat hun geestesoog waarneemt zijn veelal variaties op beroemde schilderijen, en andere taferelen met wulpse naakten en gestileerde gruwelijke verwondingen, kortom het vlees en bloed van de filmgeschiedenis.

Ook in de verleiding van de kunstenaar door het grote geld, gepersonifieerd door een Amerikaanse clipproducent die eigenlijk een geëmigreerde visboer is, wordt een oud thema met verve opnieuw geformuleerd. Zolang het om de woordloze basiselementen van Exit gaat, bewonder ik de film evenzeer als de eerdere heldere montages van de makers.

Mijn probleem met Exit is dat het ook een speelfilm moest worden, met een min of meer doorlopend verhaal, een anekdotische verklaring (een driesprong, een ongeluk, een dood zusje) en veel sprekende bijrollen. Die lopen met hun gekakel hinderlijk in de weg en belemmeren het zicht op die zwijgende, mij in zijn onmacht (of onwil) tot verbaal communiceren dierbare man. De dialogen zijn niet bepaald sterk, en een Belgische pias, een bazige dame en een onzin orerende televisiepresentator wekken veel ergernis op. Ricky Koole als de eeuwige vrouw doet keurig wat van haar verlangd wordt, als Rubensiaanse projectie van mannelijke begeerte, te weinig dus voor een dragende rol. Zo dreigt Exit een nieuw voorbeeld te worden van de vergissing dat elke getalenteerde filmmaker een keer een speelfilm zou moeten maken. Documentaristen als Frederick Wiseman en Raymond Depardon en een animator als Raoul Servais trapten eerder in die val; het heeft hun reputatie gelukkig niet blijvend geschaad.