Tuinder moet Westland mijden

DEN HAAG, 14 OKT. Tuinders zouden serieus moeten overwegen om hun bedrijven buiten het Westland te gaan vestigen. In het tuinbouwgebied in Zuid-Holland is te weinig ruimte voor alle tuinders die willen voldoen aan de eisen van een modern bedrijf. Dit zei minister Van Aartsen (Landbouw) gisteren op een bijeenkomst van de Kamer van Koophandel Haaglanden.

De tuinbouw in Nederland is bezig aan een grondige herstructurering die erop is gericht om met moderne bedrijven de concurrentieslag met het buitenland in de volgende eeuw aan te kunnen. Vanaf 2 oktober is een verkavelingsregeling voor de tuinbouw van kracht. Sindsdien hebben bijna zestig tuinders een subsidie-aanvraag voor verplaatsing van hun bedrijf ingediend. De overheid draagt de komende tien jaar een bedrag van 300 miljoen gulden bij voor de herstructurering.

Volgens minister Van Aartsen zullen het Westland en glastuinbouw in de nabije toekomst “minder als synonieme begrippen” door het leven gaan. De samenleving wenst volgens de minister de beschikbare grond in het Westland voor steeds meer andere doeleinden te gebruiken dan voor kassen. Uit een inventarisatie naar de behoeften van de tuinders is volgens een woordvoerder van minister Van Aartsen gebleken dat er ten behoeve van de herstructurering in het Westland ongeveer achttienhonderd hectare grond te weinig is voor alle tuinders die mee willen doen aan de herstructurering.

Uit een enquête van de Westelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (WLTO) is onlangs gebleken dat een deel van de Westlandse tuinders niet bereid is te verhuizen. “Veel tuinders vinden het klaarblijkelijk echter nog steeds voordeliger om in het Westland te blijven. Of ze denken dat hun buurman wel vertrekt”, aldus Van Aartsen. Hij riep gisteren de tuinders op om niet allemaal bij elkaar in het Westland te blijven, maar ook mogelijkheden om te verkassen te onderzoeken.

De minister deed ook een oproep aan de vervoerders in de tuinbouw. Volgens Van Aartsen zijn veel vrachtwagens vaak maar voor de helft gevuld met producten. Vanuit milieu-oogpunt zou het goed zijn deze beladingsgraad te verbeteren, bij voorbeeld door samen te werken met anderen, aldus de minister.