RIOD verdient geen bijzondere behandeling

Het feestje ter gelegenheid van de recente verhuizing van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie werd extra luister bijgezet door de mededeling van minister Ritzen dat het instituut er geld bij krijgt en door het vooruitzicht dat het onderzoeksprogramma duchtig wordt uitgebreid. Bij nadere beschouwing is de manoeuvre van Ritzen ongefundeerd en kwestieus, vindt Bastiaan Bommeljé.

Bijna vijftig procent van de Nederlandse jongeren, zo bleek vorige week, vindt geschiedenis een volstrekt overbodig en dodelijk saai vak. Op het eerste gezicht zou men zeggen: geen wonder gezien de huidige generatie van veelal volstrekt overbodige en dodelijk saaie historici die de toon aangeeft in het Nederlandse academische landschap. Toch is die conclusie niet juist en heeft de schooljeugd bepaald ongelijk. De zittende lichting geschiedkundige hoogleraren mag dan voor een aanzienlijk deel bestaan uit grijze mannen in grijze pakken, saai is het allerminst in historisch Nederland. Achter de schermen woedt een naakte machtsstrijd, een brute worsteling en onbeschaamde broedertwist, die niet alleen vermakelijk maar ook leerzaam is.

Het gaat om invloed, aanzien en geld - alsmede om onderzoeksprivileges. Dat de historische discipline steeds minder studenten trekt, nauwelijks universitair perspectief te bieden heeft en langzaam wegzakt in een mangrovewoud van megalomane onderzoeksscholen, rigide 'IJkpuntenonderzoek' en door niemand gelezen detailstudies, maakt het geschermutsel slechts meedogenlozer.

Opmerkelijk is vooral dat minister Ritzen zich openlijk in de mêlee heeft gemengd, dat de traditionele academische geschiedkundige opleidingen lelijke butsen oplopen en dat het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) de onwaarschijnlijk grote winnaar lijkt te worden.

Het RIOD heeft niet alleen zojuist een nieuwe behuizing aan de Herengracht betrokken, maar tijdens de daarbij gepaard gaande feestelijkheden op 23 september ook in nauwelijks bedekte termen uit de mond van de minister vernomen dat het een Onderzoeksschool van de twintigste eeuw zal worden. In ieder geval wordt de onderzoeksopdracht 'verbreed' en wordt het budget per 1998 met een half miljoen en per 1999 met een miljoen gulden verhoogd tot 4,1 miljoen gulden per jaar.

Het zal de vorig jaar aangetreden nieuwe directeur, prof. dr. J.C.H. Blom, als muziek in de oren hebben geklonken. Te meer daar het RIOD zich als enige historische instelling in Nederland mag verheugen in een budgetverhoging. En bovendien daar Bloms vorige werkgever, het historisch instituut van de Universiteit van Amsterdam, zich juist thans opmaakt voor een pijnlijke doodsstrijd na getroffen te zijn door ongekende bezuinigingen en reorganisaties.

Men mag - zoals Harry van Wijnen in deze krant op 13 oktober deed - de nieuwe levensfase van het RIOD verwelkomen als een stap voorwaarts voor iedereen die nog meer over de oorlog wil weten, maar vanuit het perspectief van de contemporaine geschiedschrijving is de manoeuvre van de minister opmerkelijk, ongefundeerd en kwestieus te noemen. Misschien heeft hij lering getrokken uit het onheil dat staatssecretaris Ger Klein over zichzelf afriep toen hij in 1977 voorstelde het instituut op te heffen zodra Loe de Jong zijn Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog zou hebben afgesloten. Het plan was dat de archieven naar het Algemeen Rijksarchief zouden worden overgebracht, en de dienstverlening inzake het oorlogsverleden naar het ministerie. Dit was een rationeel idee dat schipbreuk leed op de emotionele betekenis van het RIOD als nationaal geweten inzake 'goed' en 'fout'.

Misschien ook dat minister Ritzen heeft begrepen dat het RIOD als enig historisch instituut rechtstreeks onder het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen valt (het heeft geen formele banden met NWO, de KNAW of enige universiteit), zodat hij zich ook rechtstreeks kan verstaan met de huidige directeur Blom dan wel de huidige voorzitter van het RIOD-bestuur prof.dr. J. Bank. Men mag daarbij niet uitvlakken dat het hier gaat om twee bijzonder invloedrijke historici, wier lijst van organisatorische, bestuurlijke, adviserende en jurerende functies vele malen langer is dan die van hun wetenschappelijke publicaties. Niet alleen wordt Blom volgend jaar voorzitter van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap, maar iedereen die iets wil volbrengen op het gebied van contemporaine geschiedschrijving, of een subsidie bij het Prins Bernhardfonds aanvraagt voor een biografie, of een andersoortige ondersteuning voor historisch onderzoek tracht te verwerven, komt een van deze twee (en vaak hen beiden) tegen.

Vast staat bij dit alles slechts dat de ministeriële plannen inzake het RIOD niet alleen opmerkelijk gul zijn, maar ook opmerkelijk vaag. Er moet 'uitbreiding van het onderzoeksterrein' komen, vanaf het begin van de Eerste Wereldoorlog tot 'ver na 1945' heet het in sommige stukken; elders wordt gewag gemaakt van 'tot 1989'; sommigen menen dat het slechts gaat om het kiezen van een 'internationaal vergelijkend perspectief op oorlog en verwerking'. De minister zelf repte in zijn feestrede van 'hedendaagse geschiedenis'.

Hoe het ook zij, het RIOD is pas op dit moment bezig met het schrijven van een 'heel nieuw onderzoeksprogramma'. Daarop vooruitlopend zijn er wel reeds plannen om een medewerker richting Birma te laten vertrekken teneinde daar de relatie tussen staatsvorming en oorlog te bestuderen, weet het Historisch Nieuwsblad te melden.

De nieuwe ministeriële besluiten inzake het instituut lijken weliswaar gebaseerd op de rapportage die de Commissie Toekomst RIOD onder leiding van de Groningse emeritus hoogleraar E.H. Kossmann begin dit jaar overhandigde aan Ritzen, maar ze gaan veel verder. Kossmann meende nog dat het 'natuurlijk waanzin' zou zijn om de gehele twintigste eeuw tot onderzoeksterrein van het RIOD te maken. Van het feit dat de commissie bij haar werk danig is gesouffleerd door Blom maakt overigens niemand een geheim. Toch is het nuttig oog in oog met de expansie van het RIOD nog eens het oordeel van de commissie samen te vatten.

Van belang is daarbij te weten dat dit de tweede keer was dat er een wetenschappelijke toetsing van het RIOD-onderzoek plaatsvond. Voor het eerst werd het instituut beoordeeld in 1992 door een visitatiecommissie van de Koninklijke Akademie der Wetenschappen onder leiding van prof. dr. H. Daalder (bekend vanwege zijn eeuwig durende en eeuwig gesubsidieerde werk aan de Drees-biografie). Er was toen veel kritiek: het onderzoek van het RIOD leed aan traagheid, onduidelijke prioriteiten, gebrek aan begeleiding, te weinig vergelijking met andere landen; en de studie van de oorlogsjaren in Nederlands-Indië stak 'schril' af bij wat dienaangaande over Nederland werd gedaan. Tussen 1986 en 1990 bleken acht publicaties verschenen, waaronder twee jaarboeken. Verschillende RIOD-publicaties waren echter in feite dissertaties die elders waren geëntameerd.

In 1997 was het oordeel evenmin bijzonder juichend. Kossmann en de zijnen maakten gewag van een 'onscherp wetenschappelijk profiel', 'het ontbreken van een coherent onderzoeksprogramma', studies die 'te zeer een individueel karakter dragen'. Bovendien vond de commissie het 'zorgwekkend' dat na vijftig jaar zo'n 40 procent van de archiefcollecties nog steeds niet is ontsloten, en dat de achterstanden bij het inventariseren van collecties 'niet of nauwelijks' worden ingehaald. Deze ontsluiting dient 'terstond ter hand te worden genomen', klonk het streng, te meer daar een deel van de archieven 'in bedenkelijke staat' verkeert en het onderhoud 'te wensen overlaat'. De conclusie was dat het RIOD voor het jaar 2001 het leven moest beteren: er diende een onderzoeksprogramma te komen met 'duidelijke termijnen en beoogde resultaten'.

Men zou zeggen dat dit niet bepaald de taal is die leidt tot een structurele budgetverhoging met een miljoen gulden, noch tot de oprichting van de Onderzoeksschool voor hedendaagse geschiedenis, waarbij het universiteiten vergund wordt 'mede-aandeelhouder te worden', zoals adjunct-directeur P. Romijn dat benevolent uitdrukte.

De werkelijkheid is dat er geen enkele wetenschappelijke reden is het RIOD te promoveren tot de academische speerpunt van historisch onderzoek naar de twintigste eeuw. Afgezien van het magnum opus van Loe de Jong, waarvan het laatste deel alweer in 1988 verscheen, is de wetenschappelijke statuur, noch de wetenschappelijke productie van het RIOD bijzonder uitmuntend, een infrastructuur voor de bestudering van de contemporaine geschiedenis in breder perspectief (archieven, documentatie, knowhow) is volstrekt afwezig, en een aanzienlijk deel van de eigen oorlogsarchieven is nota bene nog onontgonnen gebied. Terwijl Nederland letterlijk nog wacht op een RIOD-studie naar een toch voor de hand liggend onderwerp als de NSB, wordt echter nu op ministerieel gezag de moderne geschiedenis maar meteen als voor- en naspel van de vaderlandse bezettingsjaren aangevat.

Dit alles kan geschieden in een situatie waarin de toestand van de contemporaine geschiedschrijving aan de Nederlandse universiteiten weinig florissant is - sommigen zouden misschien zeggen: zorgelijk. De professorale bezetting - en het vergrijzend medewerkersbestand - buiten de Herengracht is blijkbaar te apathisch of te licht om de zonderlinge één-twee tussen Ritzen en Blom tegen te kunnen houden.

In meer algemene zin dient geconstateerd te worden dat sprake is van toenemende ondoorzichtigheid nu wetenschappelijk onderzoek meer en meer aan de reguliere historische instituten wordt onttrokken en ondergebracht in even prestigieuze als schimmige autonome instituten (het 'Duitsland Instituut' aan dezelfde Herengracht, met aan het hoofd ook al een machtige historicus die lijdt aan writer's block, M.C. Brands, is een ander voorbeeld van deze ontwikkeling).

Hier convergeren twee tendenzen die fnuikend zijn voor een levend en levendig historisch academisch leven: de vlucht van hoogleraren voor onderwijstaken en voor de frustraties van het universitaire bestaan, en de wil van de overheid meer rechtstreeks greep te krijgen op het wetenschapsbedrijf. Indien dit alles doorzet, en de ontwikkelingen bij het RIOD wijzen daar op, zal het aandeel van de Nederlandse jeugd dat geschiedenis volstrekt overbodig en dodelijk saai vindt alleen maar razendsnel verder stijgen.