Rembrandts 'Danaë' na restauratie van twaalf jaar weer in Hermitage; Dood? Maigis is aan het wandelen

De aanslag op Rembrandts Danaë, twaalf jaar geleden, werd gepleegd door een diepgestoorde Let die geobsedeerd werd door het Hermitage-schilderij, zo meldden de autoriteiten. De werkelijkheid is anders, hoewel de directeur van de Hermitage het daar nog steeds moeilijk mee heeft.

SINT PETERSBURG, 14 OKT. Werkelijk aan alles heeft de persdienst van de Hermitage gedacht: foto's, vrijkaartjes, een biografietje van de directeur en een uitgebreid persbericht: de Danaë van Rembrandt - het meesterwerk dat in 1985 “door een maniak” met zwavelzuur was overgoten - verschijnt na een restauratie van twaalf jaar weer aan de wand van het Petersburgse kunstpaleis. Lena Getmanskaja, die de PR verzorgt, helpt buitenlandse journalisten zelfs aan een visum. Toch kent de openheid in het postcommunistische Rusland zijn grenzen: “Nee, informatie over de dader geven wij niet vrij”, had Lena, ineens kribbig, over de telefoon gezegd. “Onze directeur wil niet dat wij dat verhaal oprakelen. En trouwens, bespaart u zich de moeite: die man is dood.”

In het amfitheater, een van de 1057 zalen van het tsarenverblijf op de oever van de Neva, maakt directeur Michael Pjotrovski zich groter dan hij in werkelijkheid is. Danaë - de Grieks-mythologische prinses voor wie Zeus zich in een 'gouden regen' veranderde - was met messteken en een liter zwavelzuur “vermoord”, zegt hij, maar de restaurateurs van de Hermitage hebben haar weer tot leven gewekt. “Na twaalf jaar is zij weer onder ons.” Over de dader kan hij kort zijn: dat was een psychopaat. “Het Westen wilde er destijds graag een politieke daad tegen het Sovjetregime in zien. Dat is onzin.”

Een week nadat het pronkstuk van de Hermitage was vernield, lekten de eerste, officieuze berichten naar de Westerse pers. Er was sprake van een “Letse nationalist”, die met zijn daad “de aandacht wilde vestigen op het lot van Letse nationalisten die wegens anti-Sovjet-propaganda vastzaten.” Gorbatsjov had juist de Kremlintroon bestegen, maar van glasnost en perestrojka had niemand nog gehoord. Zoals altijd bij rampen zwegen de Sovjet-autoriteiten als het graf. Pas na anderhalve maand berichtte de Pravda dat “een geestelijk gestoorde man het doek met zwavelzuur had overgoten”. Gelukkig was de schade beperkt: “een laklaag had de meeste vloeistof opgevangen”.

Uit het Winterpaleis met zijn staf van 1500 curatoren en suppoosten sijpelde meer informatie: het zou niet gaan om een Letse nationalist maar om een Litouwer. De aanslag was gepleegd op de 15de juni, de dag in 1940 dat de Sovjet-Unie de Baltische staten binnenviel. Bovendien zou de dader “leve het onafhankelijke Litouwen” hebben geroepen.

Een conservatrice die anoniem wil blijven, bevestigt die lezing: “Juist omdat hij dat gezegd heeft, hebben wij ons altijd afgevraagd: wáárom een Rembrandt? Wáárom de Danaë? Waarom geen sociaal-realistisch werk uit de Stalintijd; het Russisch Staatsmuseum hier vlakbij hangt er vol mee”.

Maar Pjotrovski, gekleed in een grijs kostuum en een blauwe kasjmier sjaal, wil aan “deze vandaal” geen woorden vuil maken. Hij volstaat met een verwijzing naar een oud Izvestija-artikel van een zekere Jelezjnov waarin “een accurate psychologische analyse van de man wordt gegeven.” Het betreffende stuk van 12 maart 1986 citeert uit een psychiatrisch rapport: “De patiënt lijdt aan langzaam voortschrijdende schizofrenie”. Dat is exact de diagnose op grond waarvan dissidenten en andere ongewenste elementen in de Sovjet-tijd in psychiatrische inrichtingen verdwenen.

De dader geïdentificeerd als de 48-jarige Bronis Maigis, is volgens de Izvestija “een onbeduidende man die er met zijn zwartomrande bril en starende blik een beetje vreemd uitziet”. Hij hield er een “abnormale levensstijl op na”, want hij was werkloos. Leefde van de verkoop van antiquarische boeken. Speelde viool, en: “hij had de liefde van een vrouw nooit gekend”. In de huis-tuin-en-keuken-psychologie van de Izvestija komt het hierop aan: “sinds Maigis een afbeelding van de bevallige Danaë in het tijdschrift Ogonjok had gezien, ontwikkelde hij een obsessie.”

Geheel in Sovjet-stijl besluit de Izvestija met vermanende woorden aan het adres van de politie van Kaunas, de stad waar Maigis zonder vergunning woonde: “zij heeft verzaakt tijdig maatregelen tegen deze maniak te treffen.” De rechter had Maigis in een inrichting geplaatst - en dat was elf jaar lang het laatste woord dat de autoriteiten over de Danaë-vernieler loslieten.

Tot het persbericht van de Hermitage uit de fax rolde: “de dader, een Litouwer, is door de rechter ontoerekeningsvatbaar verklaard en naar een psychiatrisch ziekenhuis gestuurd. Hij is vorig jaar overleden.” Ook directeur Pjotrovski zegt het tijdens de persconferentie in het museumtheater nog eens luid en duidelijk: “De man is dood.”

Maar wat is er in de tussenliggende tien jaar met Bronis Maigis gebeurd?

Telefoontjes naar kranten in Litouwen stranden op desinteresse, onwil om Russisch te praten en haperende telefooncentrales, totdat iemand zich Viygantas Guiga herinnerd, een gepensioneerd medewerker van de krant Rytas, de Litouwse Morgen. “Bronius”, zegt Guiga. “Niet Bronis.” Hij had hem een jaar of drie geleden opgespoord en gesproken. Ja, de man die het topstuk uit de Rembrandt-collectie van Catharina de Grote voor eeuwig had verminkt. Hij woonde in een bejaardentehuis in het stadje Utine, in het oosten van Litouwen.

Maigis vertelde hem zijn levensverhaal: De lagere school had hij niet afgemaakt, omdat hij zich niet - zoals de 'kinderen van Lenin' en 'pioniers' - naar de groepsdiscipline kon schikken. Bronius was erg op zichzelf. Las veel. Verzamelde oude munten en ansichtkaarten. Maar kon geen werk vinden dat hem zinde. Om geld te verdienen koos hij een van de best betaalde banen in de Sovjetunie: hij werd mijnwerker in Kazachstan.

Al na twee jaar, in 1977, was hij terug in Litouwen. Gebroken en verbitterd. Zijn misère begon hij toe te schrijven aan Het Systeem, dat hij tot op het bot haatte. Maigis vertelde hoe hij zijn terreurdaad tot in de puntjes had voorbereid: aan zijn schenen had hij staven dynamiet gebonden, die hij uit de mijn in Kazachstan had meegesmokkeld. De datum van de aanslag, de zwartste dag uit de Litouwse geschiedenis was met opzet gekozen. In de trein op weg naar Leningrad voelde hij zich zo misselijk dat hij bang was dat hij zijn missie niet zou volbrengen. Maigis had het niet op de Danaë gemunt, dát schilderij kende hij niet. Eenmaal in de Hermitage, vroeg hij een suppoost wat “het meest waardevolle schilderij” was. Het antwoord was niet moeilijk: de Danaë is voor de Hermitage wat de Mona Lisa is voor het Louvre. Dus werd Maigis naar zaal 254 geleid. Oog in oog met de Griekse prinses deed hij eerst twee passen achteruit. Het volgende moment trok hij een mes, haalde haar dij en buik open, schreeuwde iets over Litouwen, pakte een fles uit zijn jas en smeet de inhoud - voordat hij overmeesterd kon worden - van links naar rechts over Danaë's lichaam.

In zijn bejaardenflatje in Utine had Maigis in het bijzijn van de journalist Guiga gehuild. Hij had verteld dat de KGB hem tijdens de verhoren had verzekerd dat zijn “nationalistische praatjes” in de kiem gesmoord zouden worden. “Want dat zou koren zijn op de molen van het Westen”, zegt Guiga.

De eenling uit Kaunas belandde in een gesloten psychiatrische kliniek in Kaliningrad, waar veel politieke gevangenen zaten. Aan het einde van de jaren tachtig, toen het al rommelde in de USSR, was hij naar een gesticht in Nieuw-Vilnius gestuurd, een buitenwijk van de Litouwse hoofdstad. En nog vóór zijn land in 1990 het juk van Moskou van zich af zou werpen was hij een vrij man. Maigis' broer regelde een plek voor hem in het bejaardentehuis van Utine.

Guiga was hem vorig jaar nog op straat tegengekomen. Vreemd, zo filosofeert de journalist, als hij dood zou zijn dan had ik dat wel gehoord. “Ik kom uit Utine en Maigis is daar de beroemdste inwoner.” Nog niet zo lang geleden had het tijdschrift Privédetective uit Vilnius nog een interview met hem afgedrukt.

In het bejaardentehuis van Utine neemt onderdirecteur Edmund Vaitikus de telefoon op. “Bronius Maigis? Nee, die kan helaas niet aan de lijn komen.”

Waarom niet? “Omdat hij aan het wandelen is in de stad.” Dus hij is niet dood? Het duurt even voor Vaitikus die vraag begrijpt. “Zeggen ze dat in de Hermitage?” De onderdirecteur wil Maigis best vragen wat hij daarvan vindt. Zodra hij terug is voor het avondeten, zal hij hem aanspreken maar Vaitikus waarschuwt alvast: vanavond komt de Litouwse televisie hier filmen, ook in verband met die Danaë, en Maigis heeft al gezegd dat hij daar niet aan mee wil doen”.

Twee uur later brengt Vaitikus verslag uit: “Maigis zegt dat hij zelf bepaalt wanneer en met wie hij praat. Hij eet vanavond op zijn eigen kamer en is niet van plan daar nog uit te komen”. Over zijn door de Hermitage verspreide overlijdensbericht had hij gezegd: “Ik zal ze een brief schrijven.”

Nee, Hermitage-directeur Michael Pjotrovski kan niet precies zeggen waar, wanneer en waaraan Maigis is gestorven. “Voor mij bestaat hij niet!” Pjotrovski die vorig jaar door koningin Beatrix is geridderd in de Orde van Oranje Nassau, wordt giftig. “Zéggen ze in Litouwen dat hij nog leeft? Ik heb gehoord dat hij dood is. In ieder geval: ik hoop dat hij dood is.”

Persvoorlichtster Lena Getmanskaja reageert geschokt: “ongelooflijk! Dit wist ik niet!” Lena zegt dat ze de KGB-dossiers over de zaak had opgevraagd, om iets over de achtergrond van Maigis in het persbericht te kunnen melden, maar die kreeg ze niet. Haar baas Pjotrovski had gevraagd waar ze in hemelsnaam mee bezig was. Hij had opdracht gegeven om de media-aandacht zoveel mogelijk van Maigis weg te houden, zegt ze. Vreselijk!” Lena is de eerste om toe te geven dat de Hermitage nu de indruk wekt dat de oude Sovjet-gewoonten nog in zwang zijn. “Wij mogen de waarheid niet vertellen”, zegt de voorlichtster. Maar wat is dan het ware verhaal? Dat de aanslag op de Danaë een politieke daad was? “Dát mogen wij dus niet zeggen.”