Midden-Oosten.

Volgens Dominique Moïsi heeft Europa in het Midden-Oosten wat goed te maken (NRC Handelsblad, 8 oktober). Hij noemt twee morele factoren voor Europa's verantwoordelijk zijn voor de problemen daar: “kolonialisme en antisemitisme, de laatste culminerend in de holocaust, waarmee de weg voor de stichting van de staat Israel geëffend werd”. Over smakeloze afwegingen die hiermee gepaard zouden kunnen gaan, doe ik liever het zwijgen toe.

Moïsi vergeet een derde factor, die - behalve met morele achtergronden - verbonden is met politieke structuren, zoals belangenverstrengeling en omkoping. Het gaat niet aan het huidige Europa - in casu de EU - in de schoenen te schuiven wat zelfstandige (Europese) landen in 1947 als argumentatie hanteerden met betrekking tot hun stemgedrag in de Algemene Vergadering van de VN, op 29 november 1947. De (Europese) landen die toen vóór het verdelingsplan voor Palestina stemden - Benelux, Denemarken, Frankrijk, IJsland, Noorwegen, Polen, Zweden - zouden zich niet van hun directe verantwoordelijkheid voor de gevolgen daarvan hebben mogen vrijpleiten. Dit klemt des te sterker voor genoemde (cursieve) landen die aan zionistische druk, tot het verwerven van hun ja-stem, toegaven.

Moïsi stelt dat minstens de helft van de Israeliërs hardop zeggen en zeker zo veel(?) joden in de diaspora denken dat Netanyahu's politiek catastrofaal is, maar de reacties op het stuk van Robert Bosch (NRC Handelsblad, 24 september) wijzen daar allerminst op. Voorlopig zullen we nog opgescheept blijven met door een macht op afstand (VS) gesteunde pro-Israelische stemmingmakers, waarbij de zwijgende meerderheid die voor een aan beide partijen genoegdoening schenkende oplossing is, gedwongen wordt zijn ziel in lijdzaamheid te bezitten.