Lichte kantoorwerkzaamheden

Wegens de aanhoudende werkloosheid van de crisisjaren, waaronder ook mijn vader als variétéartiest had te lijden, werd ik na het doorlopen van de lagere school geacht mijn eigen kleedgeld, zoals mijn moeder het noemde, te gaan verdienen. Zij dacht hierbij aan de betrekking van jongste bediende op een kantoor of bank, en een cursus steno en moderne talen op een avondschool om de gemiste opleiding van het voortgezet lager onderwijs van Ulo of Mulo te compenseren.

Gezien mijn twijfelachtig eindrapport met zessen en een onvoldoende (en alleen een negen voor mijn opstellen) leek de kans op een baan uiterst gering, al ging mijn moeders vinger elke avond onverbiddelijk langs de aanzienlijk ingekrompen rubriek 'Personeel gevraagd' van het Rotterdamsch Nieuwsblad.

Ofschoon ik mij al jaren een glorieuze carrière als ballerina had gedroomd via de balletschool van Nettie van der Valk of Corrie Hartong, ging dit vermetele toekomstbeeld in rook op toen mijn moeder de mening bleek toegedaan dat daar later geen droog brood mee te verdienen zou zijn. Ook mijn vaders aarzelend geopperde voorstel om mij tegen een geringe vergoeding van artiesten onder elkaar een opleiding te laten volgen aan de dansacademie van de met hem bevriende Staluze Pera werd onmiddellijk verworpen. Wel ging ik in september naar de avondschool in de Schoterbosstraat, waar ik tot mislukken gedoemde zakenbrieven in het Duits en Engels moest leren schrijven, en een korte, dikke man, wiens haren glommen van de brillantine, mij tevergeefs de beginselen van handelsrekenen en de raadselachtige tekens van de stenografie trachtte bij te brengen.

In de loop van de winter - ik was inmiddels dertien jaar geworden - stuitte mijn moeders vinger op de advertentie 'Beschaafd meisje gezocht voor het verrichten van lichte kantoorwerkzaamheden'. Mijn vader stelde de sollicitatiebrief op, die ik in het net overschreef, en die met zoveel overredingskracht van mijn capaciteiten getuigde dat ik per kerende post voor een nader onderhoud werd uitgenodigd, liefst met medebrenging van een schriftelijk bewijs van genoemde bekwaamheden, bij de firma Devlie, glashandel aan de Linker Rottekade.

Het was een rommelige buurt, met oude, deels leegstaande pakhuizen en verwaarloosde woningen, waar een weeë, onduidelijke stank hing die, zoals ik weldra zou merken, afkomstig was van de opgeslagen koeienhuiden in het belendende perceel van de glashandel, die ik, vergezeld van mijn vader, door een openstaande deur betrad. In een smal gangetje, waar een schemerig magazijn op uitkwam en een bord 'Hier melden' naar een houten loket verwees, had het nader onderhoud plaats en schoof ik het rapport met de zessen en de onvoldoende in de richting van een mollige, sproetige hand. Deze bleek bij een tot op borsthoogte zichtbaar wit jasschort te behoren, dat me verzocht even geduld te hebben en het luikje met een klap dicht liet vallen.

Het duurde geruime tijd voor het schort weer in de opening verscheen - ditmaal met het mollige, sproetige gezicht van een niet meer jonge vrouw, die mij met een vluchtige blik op mijn vader te kennen gaf dat de cijferlijst helaas niet in overeenstemming was met de inhoud van de sollicitatiebrief. Desniettemin, ging zij iets toeschietelijker verder, verklaarde de firma zich bereid het met de jongedame te proberen, mits zij genoegen nam met drieëneenhalve gulden per week, in plaats van de vijf gulden die de advertentie in het vooruitzicht had gesteld.

De lichte werkzaamheden bestonden in het zetten van koffie en thee (wat ik nog nooit had gedaan), het op orde brengen van een chaotisch kaartsysteem en het schrijven van adressen en plakken van postzegels op stapels enveloppen. De vrouw in het witte jasschort, die de dochter van meneer Devlie bleek te zijn, troonde midden in het kantoorvertrek tegenover een andere vrouw in een wit jasschort achter een van de twee aaneengeschoven bureaus. Rechts van hen, onder een glas-in-loodraam waar je niet doorheen kon kijken, zat ik aan een tafel ingeklemd tussen de muur en het cilinderbureau van de boekhouder, meneer Munnik, die blijkens de olijke opmerkingen van beide dames pas was getrouwd.

Het serveren van koffie en thee liet veel te wensen over, evenals het sorteren van de kaarten. Feitelijk deed ik dan ook weinig anders dan adressen schrijven en glasmonsters aandragen naar en van het magazijn, waar enkele peertjes aan de zoldering een spaarzaam licht verspreidden en meneer Devlie, die in een grijze stofjas op een kruk achter een hoge lessenaar zetelde, haastig zijn lorgnet afnam zodra hij mij tussen de dozen en kisten gewaarwerd. Met zijn bolblauwe ogen priemend in mijn rug, waadde ik enkeldiep door houtwol en stro naar de magazijnknecht - een bleke, zwijgzame jongen met strootjes in zijn haar, die een ladder besteeg om mij uit de rekken met honderden genummerde glasplaten een exemplaar aan te reiken aan de hand van het papiertje dat juffrouw Devlie mij had meegegeven.

Een welkome afleiding, die de ochtend of middag aanmerkelijk bekortte, vormden mijn bezoeken aan de Disconto Maatschappij in de Wijnstraat, waar een aantal frisgeschoren employés in donkere pakken zich achter de loketten ophield. Als ik geluk had, stond ik er wel een halfuur in de rij op mijn beurt te wachten om een omvangrijke map met formulieren af te geven, waarna ik vanaf een bank langs de muur geruime tijd het Rotterdamse zakenleven kon gadeslaan tot de naam van de firma die ik vertegenwoordigde werd afgeroepen en ik een soortgelijke map met soortgelijke formulieren in ontvangst nam.

Ook verschafte de opdracht waarmee ik door juffrouw Devlie bij tussenpozen om duistere redenen naar een zekere glashandel annex showroom van de N.V. Van Zwanenburg aan de Stationsweg werd gestuurd, mij een vreugdevolle onderbreking. Pas later begreep ik dat het een concurrent moest zijn, waar ik, zonder te zeggen van wie ik kwam, een in vloeipapier verpakt glas moest tonen met de vraag of dit model direct leverbaar was en wat de prijs ervan bedroeg. Al gauw echter doorzag de concurrent het spelletje en liet me onverrichter zake vertrekken, wat het verlies van een ontspannen wandeling door de stad betekende.

Mijn loopbaan als jongste bediende duurde driekwart jaar. Met steeds meer tegenzin begaf ik mij tijdens de zomermaanden, wanneer de zon scheen en de blauwe hemel van alles beloofde, naar de Linker Rottekade, waar het bij het laden en lossen zo ondraaglijk naar de koeienhuiden stonk dat de deur en de ramen van de glashandel ondanks de hitte gesloten dienden te blijven, en waar meneer Devlie mij met een paraplu bij de Noorderbrug stond op te wachten wanneer het regende, omdat hij toch dezelfde kant uit moest, naar hij zei. Juist toen ik overwoog desnoods de hevigste stortbuien te trotseren en een omweg te nemen over de Karnemelksbrug en het Strooveer, kwam zijn dochter achter het door de weersomstandigheden ingegeven gedrag van haar vader en ontsloeg mij op staande voet, met uitbetaling van een week salaris.

Jubelend over mijn herwonnen vrijheid en de drieëneenhalve gulden extra, waar ik niets voor had hoeven te doen, snelde ik naar huis en vertelde mijn moeder over meneer Devlies dubieuze hoffelijkheid, met het gevolg dat ze mij op het hart drukte voortaan uit de buurt van rare oude mannen te blijven, waarna ze zich weer onverdroten over de rubriek 'Personeel gevraagd' boog.