JOURNAAL TOEN

Foto: “Missschien was ik niet de eerste van de wereld, maar in ieder geval wel van Europa”, zegt Eugènie Herlaar (56) die in juli 1965 voor het Journaal ging werken. “Bij het journaal werkten alleen mannen en ik dacht waarom geen vrouwenstem bij onderwerpen als de huishoudbeurs of een modeshow.”

Ze schreef een brief en mocht komen, niet voor alleen díe onderwerpen, want zo werkten ze niet bij het Journaal, legt ze uit, maar men kon wel een extra freelancer gebruiken. Buiten beeld sprak ze soms commentaar bij een reportage. Het duurde niet lang of in de pers klonk de roep om het gezicht bij de stem. Bij het Journaal kon ze fulltime terecht, op één voorwaarde. “Mocht het publiek het niet pikken dat een vrouw zakelijke of enge dingen als een busongeluk presenteerde, dan zouden ze ermee stoppen. Ik heb toen dat risico maar genomen. In Engeland was het al geprobeerd, maar mislukt, omdat het publiek verwachtte dat een vrouwelijke nieuwslezer bij een tragische gebeurtenis in tranen zou uitbarsten.” Maar zulke reacties bleven hier uit. Vier dagen per week was ze op pad met een cameraman, geluidsman en chauffeur om nieuwsonderwerpen te filmen. En één dag per week presenteerde ze het journaal. “Het was een heel andere tijd. Je zei niet meneer Kok, maar sprak zo iemand aan met excellentie. Het was veel statiger. Als ik nu mezelf terughoor, dan denk ik: wat een bekakte toon.” In 1970 ging ze uit dienst, want zwangerschapsverlof bestond niet. “En als je bleef werken was je een slechte moeder.” Toen de kinderen groter waren kwam ze in 1975 nog voor een jaar 'in kleur' terug bij het Journaal. Bekend was ze in die tijd zeker. “Je had nog maar twee netten. Als je met je smoel op tv kwam, kreeg je een aureool van heb ik jou daar. Mensen kwamen in de trein om een handtekening vragen of vroegen of ze me even mochten aanraken. Nog steeds spreken mensen mij aan, maar die impact van toen, dat is niet te vergelijken met nu.” (Foto N.A.A. Fotoarchief, 1975)