Historisch Instituut

Theatraal bezien was het een mooi gezicht. De paarse regeringsfracties, voor de gelegenheid versterkt met het CDA, stonden op de barricaden om bij de regering de overerfbaarheid van de adel ook via de vrouwelijke lijn af te dwingen. Zwaaiend met de Grondwet (art. 1), de Wet gelijke Behandeling en diverse internationale verdragen eisten ze modernisering van het adelsrecht in naam van de vooruitgang en de rechten van de mens.

Aan de andere kant stond een tot de tanden gewapende minister Dijkstal, die met gevaar voor eigen leven de status quo verdedigde en heldhaftig opkwam voor de adel als 'historisch instituut'. Voor uitbreiding van de adel was hij niet geporteerd noch voor een wezenlijke modernisering en om valse speculaties te voorkomen: evenmin voor afschaffing. “Modernisering van het instituut adel op wezenlijke onderdelen staat [...] op gespannen voet met het zeer recentelijk door de wetgever onderschreven uitgangspunt van de Wet op de Adeldom om de adel louter als historisch instituut te handhaven”, schreef Dijkstal op 15 mei 1997 in een brief aan de Tweede Kamer. Als het niet om rechtsvorming ging, zouden we het een aandoenlijk en komisch rollenspel noemen. Het eigenaardigste was echter, dat het beide partijen bittere ernst was.

Het gebeurt niet elke dag dat een minister een motie die door het overgrote deel van de Tweede Kamer wordt gesteund naast zich neerlegt (december 1996) en daar vervolgens koppig aan toevoegt, dat hij een initiatiefwet terzake niet zal contrasigneren (mei 1997). Er moet dus wel iets bijzonders aan de hand zijn als een minister het parlement in het zand laat bijten en gelijktijdig een van diens belangrijkste wapens onklaar maakt, zeker als het een minister betreft die er geen gewoonte van maakt het parlement te tarten, laat staan voor het hoofd te stoten. Daar komt nog bij, dat de minister in kwestie jarenlang zelf lid van de Tweede Kamer is geweest en uit ervaring weet dat ook een monistische Kamermeerderheid zich niet straffeloos laat afschepen, maar op een dag wraak neemt.

Minister Dijkstal heeft dat alles zeker niet in een moment van onbezonnenheid gedaan. Hij moet het risico dat zijn heldhaftigheid hem op een later tijdstip de kop zou kunnen kosten bewust hebben genomen. Ik kan geen andere verklaring voor Dijkstals halsstarrigheid bedenken dan instructies van hogerhand. Het ligt voor de hand in de eerste plaats te denken aan de minister-president, die de oekaze zal hebben gegeven de Kamer geen duimbreed toe te geven. Maar het ligt minder voor de hand daar politieke beginselen achter te zoeken. Paars is daarvoor te weinig in het onderwerp geïnteresseerd. Het paarse regeringsprogramma rept met geen woord over de adel. Er is meer reden de verklaring te zoeken in aandrang van het koninklijk deel van de regering. Het is een publiek geheim dat koningin Beatrix van het begin af gekant is geweest tegen de uitbreiding van de adel in het algemeen en tegen de vererving via de vrouwelijke lijn in het bijzonder. Insiders wijzen er op, dat de koningin zich bij de beëdiging in 1994 van de invaller-minister van Binnenlandse Zaken, drs. Ed van Thijn langer met hem onderhield dan te doen gebruikelijk is. Lange beëdigingsgesprekken zijn niet ongewoon, maar in dit geval ging de inwijding wel ongewoon lang over twee wetsontwerpen waaraan de koningin veel waarde hechtte: de Wet op de Adeldom en Wet op het Decoratiestelsel.

Het debat over de adel, in dit geval over de vererving via de vrouwelijke lijn, heeft zich niet voor volle tribunes afgespeeld en het behoort ook uit een oogpunt van wetgevingstechniek niet tot de hoogtepunten van het parlementaire jaar. Toch is het een debat dat onder de bedrieglijke schijn van saaiheid een dynamiek verbergt die elke minister van Binnenlandse Zaken op zijn tijd in verlegenheid brengt. Ed van Thijn, opvolger van de overleden minister Dales, zat bij de verdediging van de Wet op de Adeldom op het puntje van zijn stoel, maar niet van opwinding, eerder van stress. In zijn dagboek schreef hij: “Ik moet mij te zeer concentreren op een materie die mij volstrekt onbekend is en weinig warme gevoelens bij mij oproept”. (Retour Den Haag, dinsdag 12 april 1994). Minister drs. C.P. van Dijk (CDA), die de wet in 1988 voorbereidde, was met de materie volstrekt niet onbekend en dat was waarschijnlijk de oorzaak dat deze minister het binnenskamers met premier Lubbers over die wet aan de stok kreeg. Van Dijk had constitutionele bezwaren tegen het creëren van nieuwe adel, terwijl Lubbers bereid was een uitzondering te maken voor de koninklijke familie. De uitzonderingsbepaling in de wet die hij toestond opende de mogelijkheid voormalige leden van het koninklijk huis in de adel te verheffen. Hierbij ging het in het bijzonder om de kinderen van prinses Margriet, wier staatsrechtelijke status na de eerstvolgende troonswisseling verandert. Na de troonsbestijging van prins Willem Alexander behoren de neven van de koning, volgens het systeem van de wet die de omvang van het koninklijk huis regelt, in staatsrechtelijke zin niet (meer) tot het koninklijk huis. De desbetreffende neven dragen wel een persoonlijke titel (prins met de aanspreekvorm: hoogheid), maar bezitten geen erfelijke adeldom.

Koningin Beatrix had op die uitzondering aangedrongen, met het oog op de wenselijkheid in het geval van huwelijken met leden van andere vorstelijke families of internationaal zeer hoge adel, toch erfelijke adeldom in te kunnen brengen. Minister Van Dijk was daartegen, premier Lubbers was daarvoor. Sedert 1945 steunde het regeringsbeleid op het uitgangspunt dat burgers niet in de adelstand worden verheven. Die uitzondering was dus in strijd met het regeringsbeleid, maar de minister-president had het laatste woord - en zijn woord was wet.