Eurotop wordt euroflop

Op dit moment telt de Europese Unie achttien miljoen werklozen, wat gelijk staat aan 10,6 procent van de beroepsbevolking. Nog eens acht tot negen miljoen mensen zouden wel willen werken, maar zij achten hun kansen op de arbeidsmarkt zo gering dat zij zich niet officieel als werkzoekende hebben laten registreren.

Uiteindelijk is de Eurocratie gezwicht voor aanhoudende kritiek uit vooral linkse hoek dat Brussel wel normen aanlegt voor inflatie, rente en de overheidsfinanciën, maar kennelijk berust in de massawerkloosheid die veel lidstaten teistert.

Twee weken geleden heeft het dagelijks bestuur van de Unie - de Europese Commissie - ambitieuze plannen openbaar gemaakt die de komende vijf jaar twaalf miljoen extra banen moeten opleveren. Zou dat lukken, dan kan de werkloosheid dalen tot zeven procent in het jaar 2002. Deze euronorm voor banengroei vormt onderdeel van een reeks voorstellen die de Commissie voorlegt aan de Europese regeringen op de werkgelegenheidstop die op 20-21 november in Luxemburg wordt gehouden. Voorzitter Santer en eurocommissaris Flynn van Sociale Zaken vinden dat het zonder banennorm niet kan. Anders zou te schrijnend duidelijk worden dat de top weinig meer kan zijn dan een symbool voor de bekommernis van de Europese leiders met miljoenen van hun economisch kansarmen.

De nieuwe banennorm is echter overduidelijk een wassen neus. Om te beginnen is de Commissie wel zo verstandig geweest de werkgelegenheidsdoelstelling niet voor elke lidstaat afzonderlijk in te vullen. Desondanks zijn de regeringen van de lidstaten in meerderheid niet blij met het Brusselse initiatief. De politieke leiders beseffen hun onmacht. Aan andere euronormen kunnen zij proberen te voldoen door een overzichtelijke krachtsinspanning. Zij kunnen de inflatie aanpakken door bijvoorbeeld het lenen van geld duurder te maken of door tijdelijke loonmaatregelen te nemen. Ook kunnen zij proberen eigenhandig de overheidsfinanciën te saneren door te snijden in de uitgaven, of door de belastingen te verhogen. Nieuwe banen moeten echter hoofdzakelijk in de marktsector tot stand komen.

Het bedrijfsleven laat zich lastig aansturen. De overheid kan hooguit proberen ondernemers te verlokken tot nieuwe investeringen, door de winstbelasting te verlagen of door het bedrijfsleven gerichte investeringsprikkels te geven. Het succes van dergelijke maatregelen is echter niet op voorhand verzekerd. Bovendien beschikken de meeste lidstaten over onvoldoende armslag voor een ruimhartig werkgelegenheidsbeleid nu landen zoals Frankrijk, Duitsland en Italië al de grootste moeite hebben het tekort op de overheidsbegroting beneden de 3 procent van hun bruto binnenlands product te krijgen. Wie niet aan die norm voldoet, mag geen lid worden van de Economische en Monetaire Unie (EMU) die binnen twee jaar van start gaat. Het halen van die EMU-norm heeft in alle hoofdsteden absolute voorrang. De werklozen moeten even wachten, en zullen - zo is de hoop - op den duur vanzelf meeprofiteren van de voordelen die de beoogde muntunie brengt.

Dat de Eurocraten hun eigen norm niet serieus nemen, blijkt uit het ontbreken van enige sanctie. Voldoet een lidstaat niet aan de normen voor inflatie, rente en overheidsfinanciën, dan valt de toegangspoort tot de EMU in het slot. Schiet - gemeten aan de euronorm - de banengroei te kort, dan zal hooguit de binnenlandse oppositie daar garen bij spinnen. Los hiervan zijn Duitsland en Engeland uiterst huiverig voor pogingen van Brussel om meer invloed te krijgen op beleidsterreinen die deze lidstaten uitdrukkelijk willen reserveren als exclusief domein van nationale beleidsmakers. Zelfs Frankrijk, dat zich tijdens de Top van Amsterdam sterk maakte voor een nieuw werkgelegenheidsinitiatief, wil liever alle touwtjes in handen houden. Reden: de Europese Commissie ziet weinig in arbeidstijdsverkorting, terwijl Parijs hoopt op veel nieuwe banen na invoering van de 35-urige werkweek.

Het banenplan uit Brussel is ook letterlijk een goedkoop initiatief. De Commissie benadrukt dat de overheidsuitgaven niet omhoog hoeven, maar dat kan worden volstaan met het gebruiken van uitkeringsgeld voor scholingsmaatregelen. Verder moet het belastingstelsel op de helling. De samenstelling van de belastingmix kan baanvriendelijker worden. Enerzijds dient de hoog opgelopen belastingdruk op arbeid te worden verlaagd, zodat het voor werkgevers financieel eerder lonend is meer personeel in dienst te nemen. Anderzijds zou de belastingdruk op consumptie (BTW en milieuheffingen) en op winst, rente en dividend omhoog kunnen. Ook in eigen land verwachten sommigen wonderen van zo'n belastingherziening. Onderzoek van het Centraal Planbureau naar de gevolgen van lastenverschuivingen leert echter dat verlaging van de directe lasten op arbeid, gefinancierd via verhoging van andere heffingen lang niet altijd zal leiden tot lagere loonkosten en extra banengroei.

De lastenverschuiving naar BTW of milieuheffingen doet de afzetprijzen van goederen en diensten extra stijgen. Weten werknemers compensatie te bedingen voor hun gestegen kosten van levensonderhoud, dan zullen hun loonkosten niet of veel minder dalen dan waarop voorstanders van een andere belastingmix rekenen. Verder kan een zwaardere belastingheffing over winst, rente en dividend de investeringen onder druk zetten en spaargeld over de grens jagen. Eenzijdige verhoging van milieulasten kan tot gevolg hebben dat bepaalde productieve activiteiten naar het buitenland worden verplaatst. De fiscale speelruimte van politici is door deze en andere gedragsreacties van belastingbetalers behoorlijk ingeperkt. Het vergt daarom geen diep inzicht de uitkomst van het komende werkgelegenheidsoverleg in Luxemburg correct te voorspellen: deze Eurotop wordt een euroflop.