Een pelgrimage

We waren in Berlijn, niet voor het eerst en omdat ik altijd graag een reis decoreer met een stad waar ik niet eerder geweest ben, stelde ik voor terug te gaan langs de Oostzeekust. Dan konden we Stralsund bekijken, Rostock en misschien Lübeck. Ik wilde wel toegeven dat in dit voorstel enig jeugdsentiment meespeelde.

Immers, de dichter H. Marsman heeft ooit een literair portret van Stralsund geschreven, een kort gedicht over vechtende smalle schepen, waarvan ik al die jaren een uit rechte lijnen samengestelde impressie à la Feininger heb meegedragen - ik hoopte, na vijfenzeventig jaar, hetzelfde te zien. Een stad verandert niet zo gauw.

Ik had natuurlijk met de trein moeten gaan, met de stoomtrein liefst. Nu werd ik in de auto 'umgeleitet' en voor we het wisten zaten we op Rügen, in Marsmans tijd nog een echt eiland, met alle romantische gedachten die men daar bij heeft, nu met het vasteland verbonden door een dam. Ook Rügen is door Marsman gezien als een schip, een sluimerend slagschip / dat eeuwig voor anker / den dag verspert // avond // kalmte // wakend hert.

Gezien, begrijp ik, vanaf de stadswal. Want eenmaal op Rügen zelf, zie je de zee niet terug. Het is een tamelijk groot eiland, met veel bos, en veel akkerbouw. Maar het heeft ook mooie, zij het smalle stranden. Er is plaats voor duizenden caravans, maar eveneens zijn daar van jaren her de sinds de Wende opnieuw witgeschilderde pensions, de suites die men kan huren en die als voornaamste attractie hebben: een groot balkon op het zuiden. Dit balkon is bij voorkeur van hout en ingelijst door wat nog het meest lijkt, van een afstand, op kantwerk.

Dit alles heeft Marsman denk ik niet gezien. Hij bezocht het eiland in de zomer van 1921 en verbleef op Hiddensoe, een rotsachtige reep zand en tot op vandaag een echt eiland, aan de westflank van Rügen. Aan dit Hiddensoe heeft Marsman een gedicht gewijd, dat ik nooit goed heb begrepen, aardrijkskundig. Maar de beschrijving die hij geeft, in een brief aan Roel Houwink, mag er zijn: “Zeldzame strandvlakken, smal en verschuivend, maar steilten veel, muren, gebeiteld. (...) Hecht en vijandig dit eiland, een vesting der wereld; het oneindige splintert daaraan. Schip, soepel gesneden, glad en behendig, dat het heelal bevaart, nachten en dagen vangt in het omarmende zeil. (...) Sober de kamer en vierkant: de balken zoldering laag.”

Ik wilde het wel 's zien, dit Hiddensoe. Hiddensee heet het trouwens, ter plaatse. We sliepen in Sasznitz, aan de oostkust en de volgende morgen reden we door prachtige, open beukenbossen (zoals beukenbossen nu eenmaal zijn), langs de noordkust met een boog zuidwaarts, naar Wittow. Naar Marsman, die zijn brief kon dateren met 'den 24sten Juli'. Wij hadden verkozen de eerste oktoberdag te gaan en dat maakt wel een verschil, vooral op een eiland. Het was eigenlijk nog wel mooi weer. De zon liet zich bij vlagen zien en dan ook echt met vlagen, de schaduwen joegen over de akkers.

Het was een eenzame weg. We waren op tijd, het veer zou om negen uur vertrekken. Het lag gereed, van de weg gescheiden door een ketting. Er stond een pick-up, net als wij te wachten. Trouwens, als je de auto uitkwam, voelde je hoe het waaide. Stormde. Op het water, toch een gewoon stukje binnenzee, stond een koppige branding.

Het veer was niet bemand. Na een tijdje keerde de pick-up en reed terug. Na nog vijf minuten wachten kwam er een blauwe Trabant aanrijden, met daarin - zo bleek - de veerman die ons vertelde wat we al vreesden: dat er vandaag niet gevaren zou worden.

In de verte, maar niet eens zo heel ver weg, lag Hiddensee. Hecht en vijandig dit eiland, citeerde ik, een vesting der wereld; het oneindige splintert daaraan. Gebeitelde woorden.

We gingen terug. Richting Nederland dan maar. Op weg naar Stralsund zagen we wat je in de Sahara ook wel ziet: zand verstuiven, in lange veren. Zand niet van het strand, maar van de droge akkergrond, bruin zand dat hoog opwaaide en geel werd in het zonlicht.

Stralsund, konden we een uurtje later vaststellen, is een bijzondere stad. De binnenstad ligt op een eiland, dat de groei lange tijd moet hebben beperkt. Wat de uitzonderlijke hoogte der huizen verklaren kan. Marsman heeft dat ook gezien, en zeker gevoeld: 's Nachts / staan rompen op, / sluimerend beschonken / van den dood en het verblindend donker / o! de minnenden, hun afgeknotte armen - / leunend in elkanders smartelijke wanden / beuren zij hun monden naar de nacht. En, bijzonder actueel: langs de kaden is het werk volbracht. / stormen slapen in havenarmen. / warme lampen. /nacht.

Wij waren er overdag en konden alles goed zien. We zagen wat je in Nederland niet zo gauw ziet: treinen die dwars door de stad, ja door de huizen heen lijken te rijden - zoiets is, denk je, voorbehouden aan een expressionistisch schilderij.

Marsman: 'de mond een open gat' (Hs. op een brief van Hendrik de Vries aan Marsman d.d. 30 januari 1923 in het bezit van Nol Gregoor; waarschijnlijk gaat het om een voorstudie van 'Stralsund bij nacht') Dit lees ik, eenmaal weer thuis, bij Goedegebuure.

Maar we waren nog niet thuis. Het was twaalf uur. We aten een paar Bratwürste aan een container, zochten onze auto op en reden de stad uit.

Ik had uitgerekend dat we om twee uur in Rostock konden zijn. Het was drie uur en we waren halverwege. Zoals bekend is het oude Oost-Duitsland heden ten dage een gebied waar meer auto's zijn dan de wegen kunnen bevatten. Het rolt allemaal wel voorwaarts, de verkeerslichten branden en iedereen is gehoorzaam, maar er hoeft maar een kleinigheid te gebeuren of de wereld staat stil, tot aan de horizon. Vlak voor Rostock stonden we weer een hele tijd vast. We waren blij dat we die braadworsten nog gehad hadden. Auto's maakten zich los uit de rij en gingen terug, sloegen zijwegen in. Wij volgden hun voorbeeld en gingen ze achterna, het ongewisse tegemoet.

De wereld was schemerig, door al dat zand in de lucht. We hielden het oog gevestigd op de rode achterlichten voor ons - tot we ze kwijt waren geraakt, toen reden we in ons eentje, in de mist. We kozen de verkeerde weggetjes, we kwamen terecht op boerenerven en waren blij eindelijk weer op de grote weg te komen, dezelfde weg als die we verlaten hadden. We sloten achter aan.